22. mrt, 2021

Wij willen u diverse aspecten over orgaandonatie aanbieden, die u zouden kunnen helpen om uw besluit over de donor registratie en de keuzemogelijkheden daarin, te kunnen nemen of eventueel ook aan te passen.

Deze tijd
In deze tijd is op medisch terrein en op het gebied van transplantatie veel meer mogelijk dan 50 jaar geleden. Daarbij zien we wel steeds meer de vraag gesteld worden: “Moet alles wat wij kunnen, ook daadwerkelijk gedaan worden?” Behalve dat financiële motieven daarbij vaak een belangrijke rol spelen, komt men geregeld ook voor morele/ethische vragen te staan. Vragen waarbij meestal twee ‘minder gewenste’ uitkomsten tegen elkaar afgewogen moeten worden.

Uit de Schrift kunnen we echter geen ethisch model ontwikkelen waardoor mensen specifieke richtlijnen hebben wat te doen in welke omstandigheden. Als je in de Schrift over de levens van gelovigen leest, zijn de situaties en omstandigheden steeds weer anders. De verschillende periodes van Gods kalender laten zien, dat God voor bepaalde tijden bepaalde gunsten aan de mens geeft om mee te leven. Zo heeft het beheer van de wet andere geestelijke kenmerken dan het beheer van Gods genade (of geheimenis, Efeziers 3:2,9). Het is belangrijk dat bij uw overwegingen mee te nemen.

Praktische overwegingen
Wat te doen als je zelf een orgaan of organen hebt ‘die niet meer willen?’ In de regel is dit een 
teken van ouder worden, of van ziekte. We kennen in deze tijd hoogwaardige technieken op medisch gebied, waardoor veel mogelijk is. Bij het transplanteren van organen komt veel kijken en vaak moet aan mensen die een orgaan van een ander krijgen, medicijnen toegediend worden om afstoot­verschijnselen van het eigen lichaam te voorkomen. Wanneer het menselijk lichaam een orgaan van een ander niet (of niet snel) ‘accepteert’, gebeurt er dan niet iets tegennatuurlijks?

Er zijn nog talloze andere vragen te stellen. Wat als jouw kind, dat nog niet in staat is zelf te beslissen, een orgaan nodig heeft om te overleven? Of om de levenskwaliteit te verbeteren? In zo’n situatie ligt het voor de hand dat je zelf een orgaan aan je kind afstaat (als dat kan). Of dat je een orgaan van een vreemde accepteert voor je kind, om dat kind te redden van de dood. En wanneer kan dat kind wel zelf over zoiets ingrijpends beslissen? Maar accepteer je voor jezelf een orgaan? Tot welke leeftijd wel en wanneer niet meer? Et cetera. 

Iemand als Job in de Schrift kon die vragen nooit overwegen. Ieder zal zo zijn of haar overwegingen hebben, elke situatie is anders. De vraag voor ieder persoonlijk is:’hoe sta ik ten opzichte van de medische wetenschap?’ Medische kennis werkt immers – ook voor velen die wij kennen en zeer liefhebben – op dit moment ook positief uit: mensen kunnen nog een aantal jaren verder met een relatief goed leven! Bij het specifieke medische onderwerp orgaandonatie komen nog overwegingen naar voren, zoals over dood en leven, over ethische, godsdienstige en juridische aspecten. In de folder van de overheid die hierover is uitgegeven, gaat het slechts over orgaandonatie na overlijden. Wij zullen ons dan ook nu grotendeels tot dit aspect beperken. 

Integriteit van het lichaam
Vooral uit juridische hoek klinkt een zwaar wegend bezwaar. Artikel 11 van de Grondwet stelt: “Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.” Nu de Wet op de orgaandonatie het maken van een keuze verplicht stelt, acht men dit in strijd met de strekking van dit grondrecht. Uit de grondwets­geschiedenis en jurisprudentie blijkt dat het recht op lichamelijke integriteit de burger primair bescherming biedt tegen inbreuken op hun lichaam door anderen. Ook al zou hij daarvoor op enig tijdstip een geldige toestemming op schrift hebben gesteld, dan nog kan door een latere geestelijke en lichamelijke conditie (bijvoorbeeld door dementie of comateuze toestand) die toestemming niet met zekerheid geëffectueerd worden. Aangezien Nederland geen rechterlijke instantie heeft die een wet buiten werking kan stellen wegens strijdigheid met de Grondwet – het parlement had zo alert moeten zijn geweest – blijft die Wet op de orgaandonatie en daarmee de keuzemogelijkheid gewoon in stand.

Definitie “dood”
Enige behartigenswaardige opmerkingen van rabbijn Binyomin Jacobs: “Maar wat als bij de donor een vitaal orgaan verwijderd gaat worden en dit uitsluitend tijdens het leven van de donor mogelijk is omdat anders het orgaan niet meer bruikbaar is? Wie die wie is, is van cruciaal belang. Is hij partijdig? Is er sprake van belangenverstrengeling? En het moge dan zo zijn dat de donor al dood zou zijn geweest, maar toen ik een verpleegster vroeg om de kunstmatig in leven gehouden donor vast te begraven, dacht ze dat ik gek was, want, zoals ze zei: hoe kan ik gaan begraven, hij leeft nog want zijn hart klopt! De definitie ‘dood’ is een rekbaar begrip. Wie gaat de definitie vastleggen en wie gaat dadelijk aan de hand van de definitie het juiste tijdstip bepalen?”

Uit de bewoordingen van de wet blijkt duidelijk dat de kwalificatie “hersendood” buitengewoon arbitrair is en geheel afhankelijk is van de “deskundigheid” van de betrokken medici. Dat maakt de basis voor een gelijke behandeling van gelijke gevallen in principe discutabel en opent de weg naar willekeur. Het Besluit Hersendoodprotocol doet hieraan niets af. Dat is anders dan wanneer iemand volkomen levenloos blijkt te zijn. Dat kan zelfs een leek beoordelen.

Mensen kunnen dus zo nauwkeurig mogelijk normen opstellen, zo goed als mogelijk meten, afwegen en dán zeggen: de dood is ingetreden. Maar bij hersendood lijkt de mens over wie het gaat en die daar aan apparatuur ligt, nog te leven in de ogen van nabestaanden. En als e.e.a. niet kunstmatig aan de gang gehouden blijft, zijn die uit te nemen organen onbruikbaar. De vraag is: waar de morele grenzen liggen, wanneer medische grenzen veel ruimer en niet altijd zeker zijn en men ook het gebruik van dierlijke organen mogelijk maakt. Wat willen wij als we aangekomen zijn bij die grens tussen leven en dood?

Nodeloos leven rekken?
‘De’ wetenschap heeft de laatste paar eeuwen ontelbaar veel mogelijkheden voor de wereld, voor de maatschappij en voor mensen individueel gecreëerd om het leven (op het oog) gemakkelijker te maken -“de kwaliteit ervan te verbeteren” zeggen we dan-; en ook om ziekten zo snel en zo goed als maar mogelijk uit te bannen en het leven te ‘rekken’ (zo dat laatste al mogelijk zou zijn). Daarmee heeft ook een ‘medicaliserende’ houding een enorme impuls gekregen. Mensen zoeken naar wat op lichamelijk gebied mogelijk is om die ‘levenskwaliteit’ maar te verbeteren en om zo lang mogelijk een goede gezondheid te houden. 

Op zich is dit waarschijnlijk geen, per definitie, verkeerd streven, hoewel dit slechts een voorrecht is voor ingezetenen van voornamelijk welvarende landen. Paulus zegt, uiteraard in een bepaald verband (!), dat alles geoorloofd is, maar niet alles nuttig is. Lijden ondergaan is daarentegen een kwetsbaar punt waar eigenlijk (bijna) niemand echt aan wil. Voor hen die Gods Woord, in het bijzonder het evangelie dat Paulus bracht, niet kennen, is lijden vaak iets dat moet worden uitgebannen. De medicaliserende houding representeert op zich de wens om elk mens een zo goed mogelijk leven te gunnen en het legt dus inderdaad de wens bloot om lijden van mensen zo veel mogelijk te willen inperken. Maar je merkt als gelovige misschien ook waar mogelijkerwijs de schoen wringt. ‘Wij’ willen de zaken zo goed mogelijk in onze hand houden/ hebben en ieder tot onze uiterste grens ‘opknappen’ en in leven houden. En is die uiterste grens wellicht hetgeen, waar het bij orgaandonatie over gaat? 

Juridische aspecten
Onder voorwaarden is het mogelijk om legaal, volgens de Nederlandse wet, organen in ons lichaam voor transplantatie in een ander lichaam te doneren. Die organen kunnen onder meer zijn: hart, nieren, long, lever, darmweefsel, huid, oogweefsel (hoornvlies), pezen en kraakbeen. Er moet sprake zijn van “donatie” alvorens tot “transplantatie” kan worden overgegaan.

Wet op de orgaandonatie (tekst per 21 juni 2020)
Waar rabbijn Jacobs aan refereerde was het fundamentele verschil tussen volkomen dood en hersendood zijn. In dit opzicht maakt het dus heel wat uit of iemand over orgaandonatie bepaald heeft “na mijn overlijden” dan wel “na uitvoering van het hersendoodprotocol in het ziekenhuis”. Dat is de voornaamste reden van de nipte acceptatie, destijds in de Tweede Kamer, van de Wet op de Orgaandonatie. In deze wet is een juridische truc geformuleerd waardoor onder “na overlijden” zowel “volkomen levenloosheid” als “hersendood” kan worden verstaan.

Wetsfictie “geen bezwaar”
Belangrijk is de tekst van artikel 10, vierde lid, zoals dat in de WOD vanaf 01-07-2020 zal komen te luiden. Daarin is de fictie geformuleerd dat, wanneer iemand, ondanks herhaald attenderen, niets in het donorregister laat vermelden, hij geacht wordt geen bezwaar tegen orgaandonatie te hebben. Wanneer dus een gelovige weigert aan registratie in het donorregister bij te dragen, is hij qua orgaandonatie “vogelvrij”.

In het donorregister kan men uit vier mogelijkheden kiezen:

  1. Ja, ik geef toestemming;
  2. Nee, ik geef geen toestemming;
  3. Mijn partner of familie beslist;
  4. Een door mij gekozen persoon beslist

Gewetenskwestie
Hier worden enkele moeilijkheden belicht die voor iemand onoverkomelijk kunnen zijn om met orgaandonatie en -transplantatie in te stemmen. In het licht van Paulus’ evangelie zijn dat voornamelijk gewetenszaken. Paulus schreef in zijn eerste brief aan Timotheüs (1Tim 1:5): “De voltooiing van de opdracht nu is liefde uit een rein hart en een goed geweten en een ongeveinsd geloof.” Hier geeft Paulus drie pijlers aan die verbonden zijn met de waarachtige agapē, liefde. 

Dat betekent dat wij ook bij beslissingen zoals over orgaandonatie en -transplantatie bij onszelf moeten onderzoeken: 

  • ons hart (waaruit onze beraadslagingen en beweegredenen voortkomen),
  • ons geweten (de plaats van zelfbespiegelingen) en 
  • ons geloof (zoals door Paulus ons in zijn evangelie geleerd).

Daarbij is de leiding van Gods geest onmisbaar. Heb er wel erg in dat in de praktijk meestal pas achteraf blijkt of wij “goed” gedacht en gehandeld hebben.

Je kunt niet bepalen hoe iemands geweten is in bepaalde situaties (1Corinthiers 10:29). Daarbij is alleen het geweten geen sluitend criterium voor ons als gelovigen: Gods woord geeft te allen tijde de doorslag. Verder kan de ene gelovige niet over het geloof van andere gelovigen heersen (2Corinthiers 1:24a). We leven in en onder de genade van God in deze tijd. Genade regeert door rechtvaardigheid (Romeinen 5:21). We staan in de vrijheid waarvoor Christus ons heeft vrijgemaakt (Galaten 5:1). We zouden elkaar liefhebben, nu we in hetzelfde lichaam van Christus zijn opgenomen. De liefde van God, de agapē, is leidend in wat we doen (Romeinen 12:9). Paulus geeft bijvoorbeeld in 1Corinthiers 7 op diverse vragen antwoord, maar doet dat niet als een nieuwe regelgeving. Hij overweegt uit de liefde van God, wat in het licht van zijn evangelie (verzoening en genade) de richting kan zijn vóór, tijdens en ná het huwelijk. En stelt ook vragen aan de Korintiërs om goed over na te denken, voor hun praktijk.

Aspecten om mee te laten wegen 
In het algemene denken over orgaandonatie wel of niet, wordt nauwelijks het geloof dat Gód er is en het vertrouwen op Hém ter sprake gebracht. David zegt over Hém: In Uw hand zijn mijn tijden. Wij willen leven ‘rekken’ en natuurlijk, God gebruikt het ál; ook medische kennis is in Zijn hand! Maar het is een vorm van hoogmoed om te denken dat ‘wij’ het wel uit kunnen maken, of een ander nog een nieuwe kans op een verder, beter leven heeft. Góds weg is niet alleen een weg van: mijn leven moet in mijn ogen kwalitatief goed en optimaal zijn in de zin dat ik mijn plezier en mijn werk kan doen zonder ziekte, zonder lijden en verdriet. ‘De’ moderne mens schuwt lijden en als het ons teveel is roepen we in Nederland de levenseindekliniek te hulp.

Maar zouden wij in ons leven niet moeten leren rekenen met Gód, sterker nog, leren ons in alles aan Hem toe te vertrouwen? Als gelovige worden we – door Hém Zelf- opgevoed en leren we stapje voor stapje Paulus naspreken dat lijden ook iets uitwerkt: We weten dat verdrukkingen volharding uitwerkt, en de volharding beproefdheid; en de beproefdheid verwachting. En de verwachting maakt niet beschaamd!

Hiermee wordt niet bedoeld dat mensen niet van alles moeten doen om het leven hier en nu met minder lijden te mogen leven: Gód geeft mogelijkheden. Maar tegelijk geeft ook Gód nabijheid en kracht in moeilijke situaties; en lijden is er dikwijls onderdeel van om Hém te leren vertrouwen, zich in álles geborgen te weten bij en in Hém. 

God echter gaat met elk individu Zijn weg in een groeiproces dat alleen Hij kent, en waarin álles meewerkt ten goede (voor hen die Hem liefhebben).

Verder is het ook zo, dat ons lichaam een tempel is van Gods geest, die in ons woont. Hij is inwonend in ons, wat een wonder! Daarover straks iets meer. God leert ons in een groeiproces, dat wij niet meer beheerst worden door het vlees, maar door Zijn geest. Dat roept dan mogelijkerwijs ook de vraag op, of je óók met dat vlees, omdat het voor/door Hem apart is gezet, geheiligd is, voor zover het van jou afhangt, niet in uiterste terughoudendheid zou omgaan; dus misschien ook m.b.t. transplantatie? Maar zeker, als de liefde (agapē – zie daarover ook verderop) een gelovige ergens toe aanzet of dringt, mag je in volkomen afhankelijkheid aan Hem in gebed Zijn leiding daarin vragen. Mag het ook uw ervaring zijn, dat Hij een gelovige toch op Zijn tijd en op Zijn wijze antwoord geeft.

Ieder mens mag dus in grote afhankelijkheid van Hem, onze Schepper én in afhankelijkheid van Degene in Wie wij leven, steeds voor zichzelf in gebed vragen wat bij dergelijke situaties in zijn of haar leven ‘meewerkt ten goede’. Daarmee is er ruimte voor Zijn opvoeding in geestelijke zin, voor leven in en door Zijn genade, naar wat Hij (ook aan verstaan van Zijn wil) geeft. Hetzij leven, hetzij dood. Maar – Goddank- mag elke gelovige nu al beseffen, dat we in onverderfelijkheid opgewekt zullen worden, tot Zijn eer en Zijn glorie!

Lichaam als tempel
Paulus noemt ons lichaam een tempel (naos in 1Corinthiers 3:16-17; 6:19; 2Corinthiers 6:16 en Efeziers 2:21). naos is in strikte zin het gebouw met de ruimte van het heilige plus de ruimte van het heilige der heiligen, dus de Tempel zelf, dit in tegenstelling met het tempelcomplex met plein en gebouwen eromheen, waarvan het Griekse woord hieron is. Een tempel is alleen een tempel als God er woning in heeft gemaakt.
  • Paulus vergelijkt onze lichamen als stuk voor stuk een woning van God, als naos, zoals de Tempel te Jeruzalem dat ooit was. Het is uitsluitend dit heilsfeit dat ons lichaam heilig maakt (1Corinthiers 3:16-17). Dat hebben wij absoluut niet aan ons gedrag te danken, maar heeft wel consequenties voor ons gedrag, wanneer wij ons van Zijn liefdevolle genade bewust zijn. Want de liefde van Christus dringt ons, nietwaar? (2Corinthiers 5:14).
  • De geest die in ons woning gemaakt heeft, bewerkt een groeiproces zoals Paulus in Efeziers 2:21-22 onthuld heeft: “… Christus Jezus, in Wie heel het gebouw, samengevoegd, groeit tot een heilige tempel (naos) in de Heer, in Wie jullie samengevoegd worden tot een woonplaats van God, in de geest.”
  • Over het wonen van Gods geest in ons zegt Paulus in Romeinen 8:8-11 dat men God in vlees niet kan behagen. Daarentegen zijn wij niet in vlees, maar in geest wanneer Gods geest in ons woont. Zoals Gods geest Christus Jezus uit de doden opgewekt heeft, zo ook zal Zijn geest onze stervende lichamen nu al, in de praktijk, levend maken.
  • Hier staat in een notendop wat als en scharlaken draad door geheel het evangelie van Paulus loopt, gechargeerd uitgedrukt: niet het vlees is zaligmakend, maar Gods levendmakende geest.

Onze   en toekomstige verandering
Onze Heer en Redder, Jezus Christus, zal ons vernederd lichaam omzetten, gelijkvormig aan Zijn heerlijkheidslichaam (Filippenzen 3:21).

Na de dood keert alles wat wij waren terug naar waar het vandaan kwam. Het lichaam keert terug naar de aardbodem, waaruit het genomen is (Gen.3:19), de ziel keert terug naar het onwaarneembare (Psalm 16:10; Handelingen 2:27) en de geest keert terug naar God (Prediker 12:7). God repareert het oude niet maar maakt alles nieuw (2Cor. 5:17). Dood is het tegengestelde van schepping. Wat geweldig om te weten dat de Schrift spreekt over opstanding, opwekking en levend­making. Dat zien we ook terug in 2Cor. 5:17: ‘Dus als iemand in Christus is, is er een nieuwe schepping; al het oude is voorbij. Zie, het is nieuw geworden!   

Wij zouden hieruit kunnen opmaken dat God geen ‘oude organen of weefsels’ nodig heeft of gebruikt voor het opstandingslichaam, want dat wordt volkomen nieuw

Dan resteren nog twee belangrijke aandachtspunten:

  • het motief en de intentie tot het afstaan of ontvangen van een orgaan;
  • de condities die daarmee gepaard gaan.

agapē als motief en intentie:
De intentie waarmee en het motief waarom men zou goedkeuren dat een orgaan van het ene lichaam naar het andere wordt getransplanteerd kan doorslaggevend zijn. Dat motief moet in ieder geval bij de donor onderzocht worden.

Een buitengewoon motief is de liefde, agapē!

  • Roept Paulus ons niet nadrukkelijk op tot een wandel in liefde zoals ook God in Christus ons liefheeft (Efeziers 5:1-2)?
  • In zijn brief aan de Colossenzen noemt hij de liefde de band van de rijpheid. Dat staat in een perikoop (3:12-17) waar hij concrete criteria voor ons gedrag aanreikt, zoals medelijdend mededogen, mildheid, ootmoedige gezindheid, zachtmoedigheid, geduld!
  • Dat onze liefde ook geldt voor de naaste buiten de gemeente die het lichaam van Christus, blijkt uit Romeinen 13:9-10 dat besluit met “De liefde bewerkt voor de naaste geen kwaad. Het complement dan van de wet is de liefde.”

Over andere vormen en tijden van doneren

Wij hebben in de bovenstaande tekst niet geschreven over vormen van het doneren van organen, weefsels en bloed, die tijdens het leven van een donor kunnen worden gedaan. 

Hierbij zijn weer andere overwegingen te maken, dan bij doneren ‘na overlijden’. Desondanks kan de inhoud van het bovenstaande toch ook behulpzaam zijn in dergelijke omstandigheden.

Stamceldonatie
Een apart hoofdstuk is stamceldonatie, bijvoorbeeld ten behoeve van leukemiepatiënten bij wie andere therapieën geen effect sorteerden. Om stamceldonor te kunnen zijn is een match met de betrokken patiënt noodzakelijk anders is stamceltransplantatie bij voorbaat gedoemd te mislukken. Meestal lukt dat bij (naaste) familie. Voor stamceldonatie behoeft men niet per se overleden te zijn.

Bloeddonatie
Men kan zich afvragen of bloed een orgaan is. Het is een kwestie van definiëren van wat een orgaan is. Wanneer men een orgaan als “een verzameling van verwante weefsels” definieert, is bloed geen orgaan, maar een transportmiddel van velerlei cellen en stoffen van en naar organen. Bloed is van levensbelang voor de aanvoer van zuurstof naar de organen. Stagnatie kan ernstige, blijvende of dodelijke gevolgen hebben, vooral voor de hersenfuncties.

  • Aangezien het geven van bloed een zaak tussen levenden is en niet onder het regime van de Wet op de orgaandonatie valt, ga wij er verder niet nader op in.
  • Voor een godsdienstig aspect spreekt 1Corinthiers 15:50 over het betrekkelijke van vlees en bloed en ook dat ze geen ticket voor een lotdeel in het koninkrijk Gods kunnen zijn.    

Tot slot
Voor wat betreft de wet op orgaan donatie geven wij u geen advies over al dan niet donor zijn. Elke situatie is anders en elke gelovige is in het eigen groeiproces naar Hem toe. Wél noemen wij enkele accenten die extra aandacht verdienen:

  1. Als u geen keuze invult in het donor register, vult de overheid ‘geen bezwaar tegen orgaandonatie’ in voor u.
  2. De afweging tussen ‘hersendood’ en ‘volkomen dood’ is een belangrijke overweging om mee te nemen en om eventueel in een handgeschreven codicil of in een levens­testament vast te leggen.
  3. Wanneer orgaandonatie door liefde wordt ingegeven, kunt u zich afvragen of dit al dan niet verbonden is met iemand die u dierbaar is of dat dit door u veel breder opgevat wordt. Agapê is niet slechts “vriendschap”, maar pure, onbaatzuchtige liefde.
  4. Mochten de vier keuzemogelijkheden voor u niet passend zijn, overweeg dan of een codicil of levenstestament dat bij (één van) uw naasten bekend is, een voor u passende mogelijkheid is, als aanvulling op keuzemogelijkheid drie in het donorregister.

Wij hopen dat de inhoud van dit document voor u antwoord geeft op mogelijke vragen die bij u leven.

22. mrt, 2021

Wij willen u diverse aspecten over orgaandonatie aanbieden, die u zouden kunnen helpen om uw besluit over de donor registratie en de keuzemogelijkheden daarin, te kunnen nemen of eventueel ook aan te passen.

Deze tijd
In deze tijd is op medisch terrein en op het gebied van transplantatie veel meer mogelijk dan 50 jaar geleden. Daarbij zien we wel steeds meer de vraag gesteld worden: “Moet alles wat wij kunnen, ook daadwerkelijk gedaan worden?” Behalve dat financiële motieven daarbij vaak een belangrijke rol spelen, komt men geregeld ook voor morele/ethische vragen te staan. Vragen waarbij meestal twee ‘minder gewenste’ uitkomsten tegen elkaar afgewogen moeten worden.

Uit de Schrift kunnen we echter geen ethisch model ontwikkelen waardoor mensen specifieke richtlijnen hebben wat te doen in welke omstandigheden. Als je in de Schrift over de levens van gelovigen leest, zijn de situaties en omstandigheden steeds weer anders. De verschillende periodes van Gods kalender laten zien, dat God voor bepaalde tijden bepaalde gunsten aan de mens geeft om mee te leven. Zo heeft het beheer van de wet andere geestelijke kenmerken dan het beheer van Gods genade (of geheimenis, Efeziers 3:2,9). Het is belangrijk dat bij uw overwegingen mee te nemen.

Praktische overwegingen
Wat te doen als je zelf een orgaan of organen hebt ‘die niet meer willen?’ In de regel is dit een 
teken van ouder worden, of van ziekte. We kennen in deze tijd hoogwaardige technieken op medisch gebied, waardoor veel mogelijk is. Bij het transplanteren van organen komt veel kijken en vaak moet aan mensen die een orgaan van een ander krijgen, medicijnen toegediend worden om afstoot­verschijnselen van het eigen lichaam te voorkomen. Wanneer het menselijk lichaam een orgaan van een ander niet (of niet snel) ‘accepteert’, gebeurt er dan niet iets tegennatuurlijks?

Er zijn nog talloze andere vragen te stellen. Wat als jouw kind, dat nog niet in staat is zelf te beslissen, een orgaan nodig heeft om te overleven? Of om de levenskwaliteit te verbeteren? In zo’n situatie ligt het voor de hand dat je zelf een orgaan aan je kind afstaat (als dat kan). Of dat je een orgaan van een vreemde accepteert voor je kind, om dat kind te redden van de dood. En wanneer kan dat kind wel zelf over zoiets ingrijpends beslissen? Maar accepteer je voor jezelf een orgaan? Tot welke leeftijd wel en wanneer niet meer? Et cetera. 

Iemand als Job in de Schrift kon die vragen nooit overwegen. Ieder zal zo zijn of haar overwegingen hebben, elke situatie is anders. De vraag voor ieder persoonlijk is:’hoe sta ik ten opzichte van de medische wetenschap?’ Medische kennis werkt immers – ook voor velen die wij kennen en zeer liefhebben – op dit moment ook positief uit: mensen kunnen nog een aantal jaren verder met een relatief goed leven! Bij het specifieke medische onderwerp orgaandonatie komen nog overwegingen naar voren, zoals over dood en leven, over ethische, godsdienstige en juridische aspecten. In de folder van de overheid die hierover is uitgegeven, gaat het slechts over orgaandonatie na overlijden. Wij zullen ons dan ook nu grotendeels tot dit aspect beperken. 

Integriteit van het lichaam
Vooral uit juridische hoek klinkt een zwaar wegend bezwaar. Artikel 11 van de Grondwet stelt: “Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.” Nu de Wet op de orgaandonatie het maken van een keuze verplicht stelt, acht men dit in strijd met de strekking van dit grondrecht. Uit de grondwets­geschiedenis en jurisprudentie blijkt dat het recht op lichamelijke integriteit de burger primair bescherming biedt tegen inbreuken op hun lichaam door anderen. Ook al zou hij daarvoor op enig tijdstip een geldige toestemming op schrift hebben gesteld, dan nog kan door een latere geestelijke en lichamelijke conditie (bijvoorbeeld door dementie of comateuze toestand) die toestemming niet met zekerheid geëffectueerd worden. Aangezien Nederland geen rechterlijke instantie heeft die een wet buiten werking kan stellen wegens strijdigheid met de Grondwet – het parlement had zo alert moeten zijn geweest – blijft die Wet op de orgaandonatie en daarmee de keuzemogelijkheid gewoon in stand.

Definitie “dood”
Enige behartigenswaardige opmerkingen van rabbijn Binyomin Jacobs: “Maar wat als bij de donor een vitaal orgaan verwijderd gaat worden en dit uitsluitend tijdens het leven van de donor mogelijk is omdat anders het orgaan niet meer bruikbaar is? Wie die wie is, is van cruciaal belang. Is hij partijdig? Is er sprake van belangenverstrengeling? En het moge dan zo zijn dat de donor al dood zou zijn geweest, maar toen ik een verpleegster vroeg om de kunstmatig in leven gehouden donor vast te begraven, dacht ze dat ik gek was, want, zoals ze zei: hoe kan ik gaan begraven, hij leeft nog want zijn hart klopt! De definitie ‘dood’ is een rekbaar begrip. Wie gaat de definitie vastleggen en wie gaat dadelijk aan de hand van de definitie het juiste tijdstip bepalen?”

Uit de bewoordingen van de wet blijkt duidelijk dat de kwalificatie “hersendood” buitengewoon arbitrair is en geheel afhankelijk is van de “deskundigheid” van de betrokken medici. Dat maakt de basis voor een gelijke behandeling van gelijke gevallen in principe discutabel en opent de weg naar willekeur. Het Besluit Hersendoodprotocol doet hieraan niets af. Dat is anders dan wanneer iemand volkomen levenloos blijkt te zijn. Dat kan zelfs een leek beoordelen.

Mensen kunnen dus zo nauwkeurig mogelijk normen opstellen, zo goed als mogelijk meten, afwegen en dán zeggen: de dood is ingetreden. Maar bij hersendood lijkt de mens over wie het gaat en die daar aan apparatuur ligt, nog te leven in de ogen van nabestaanden. En als e.e.a. niet kunstmatig aan de gang gehouden blijft, zijn die uit te nemen organen onbruikbaar. De vraag is: waar de morele grenzen liggen, wanneer medische grenzen veel ruimer en niet altijd zeker zijn en men ook het gebruik van dierlijke organen mogelijk maakt. Wat willen wij als we aangekomen zijn bij die grens tussen leven en dood?

Nodeloos leven rekken?
‘De’ wetenschap heeft de laatste paar eeuwen ontelbaar veel mogelijkheden voor de wereld, voor de maatschappij en voor mensen individueel gecreëerd om het leven (op het oog) gemakkelijker te maken -“de kwaliteit ervan te verbeteren” zeggen we dan-; en ook om ziekten zo snel en zo goed als maar mogelijk uit te bannen en het leven te ‘rekken’ (zo dat laatste al mogelijk zou zijn). Daarmee heeft ook een ‘medicaliserende’ houding een enorme impuls gekregen. Mensen zoeken naar wat op lichamelijk gebied mogelijk is om die ‘levenskwaliteit’ maar te verbeteren en om zo lang mogelijk een goede gezondheid te houden. 

Op zich is dit waarschijnlijk geen, per definitie, verkeerd streven, hoewel dit slechts een voorrecht is voor ingezetenen van voornamelijk welvarende landen. Paulus zegt, uiteraard in een bepaald verband (!), dat alles geoorloofd is, maar niet alles nuttig is. Lijden ondergaan is daarentegen een kwetsbaar punt waar eigenlijk (bijna) niemand echt aan wil. Voor hen die Gods Woord, in het bijzonder het evangelie dat Paulus bracht, niet kennen, is lijden vaak iets dat moet worden uitgebannen. De medicaliserende houding representeert op zich de wens om elk mens een zo goed mogelijk leven te gunnen en het legt dus inderdaad de wens bloot om lijden van mensen zo veel mogelijk te willen inperken. Maar je merkt als gelovige misschien ook waar mogelijkerwijs de schoen wringt. ‘Wij’ willen de zaken zo goed mogelijk in onze hand houden/ hebben en ieder tot onze uiterste grens ‘opknappen’ en in leven houden. En is die uiterste grens wellicht hetgeen, waar het bij orgaandonatie over gaat? 

Juridische aspecten
Onder voorwaarden is het mogelijk om legaal, volgens de Nederlandse wet, organen in ons lichaam voor transplantatie in een ander lichaam te doneren. Die organen kunnen onder meer zijn: hart, nieren, long, lever, darmweefsel, huid, oogweefsel (hoornvlies), pezen en kraakbeen. Er moet sprake zijn van “donatie” alvorens tot “transplantatie” kan worden overgegaan.

Wet op de orgaandonatie (tekst per 21 juni 2020)
Waar rabbijn Jacobs aan refereerde was het fundamentele verschil tussen volkomen dood en hersendood zijn. In dit opzicht maakt het dus heel wat uit of iemand over orgaandonatie bepaald heeft “na mijn overlijden” dan wel “na uitvoering van het hersendoodprotocol in het ziekenhuis”. Dat is de voornaamste reden van de nipte acceptatie, destijds in de Tweede Kamer, van de Wet op de Orgaandonatie. In deze wet is een juridische truc geformuleerd waardoor onder “na overlijden” zowel “volkomen levenloosheid” als “hersendood” kan worden verstaan.

Wetsfictie “geen bezwaar”
Belangrijk is de tekst van artikel 10, vierde lid, zoals dat in de WOD vanaf 01-07-2020 zal komen te luiden. Daarin is de fictie geformuleerd dat, wanneer iemand, ondanks herhaald attenderen, niets in het donorregister laat vermelden, hij geacht wordt geen bezwaar tegen orgaandonatie te hebben. Wanneer dus een gelovige weigert aan registratie in het donorregister bij te dragen, is hij qua orgaandonatie “vogelvrij”.

In het donorregister kan men uit vier mogelijkheden kiezen:

  1. Ja, ik geef toestemming;
  2. Nee, ik geef geen toestemming;
  3. Mijn partner of familie beslist;
  4. Een door mij gekozen persoon beslist

Gewetenskwestie
Hier worden enkele moeilijkheden belicht die voor iemand onoverkomelijk kunnen zijn om met orgaandonatie en -transplantatie in te stemmen. In het licht van Paulus’ evangelie zijn dat voornamelijk gewetenszaken. Paulus schreef in zijn eerste brief aan Timotheüs (1Tim 1:5): “De voltooiing van de opdracht nu is liefde uit een rein hart en een goed geweten en een ongeveinsd geloof.” Hier geeft Paulus drie pijlers aan die verbonden zijn met de waarachtige agapē, liefde. 

Dat betekent dat wij ook bij beslissingen zoals over orgaandonatie en -transplantatie bij onszelf moeten onderzoeken: 

  • ons hart (waaruit onze beraadslagingen en beweegredenen voortkomen),
  • ons geweten (de plaats van zelfbespiegelingen) en 
  • ons geloof (zoals door Paulus ons in zijn evangelie geleerd).

Daarbij is de leiding van Gods geest onmisbaar. Heb er wel erg in dat in de praktijk meestal pas achteraf blijkt of wij “goed” gedacht en gehandeld hebben.

Je kunt niet bepalen hoe iemands geweten is in bepaalde situaties (1Corinthiers 10:29). Daarbij is alleen het geweten geen sluitend criterium voor ons als gelovigen: Gods woord geeft te allen tijde de doorslag. Verder kan de ene gelovige niet over het geloof van andere gelovigen heersen (2Corinthiers 1:24a). We leven in en onder de genade van God in deze tijd. Genade regeert door rechtvaardigheid (Romeinen 5:21). We staan in de vrijheid waarvoor Christus ons heeft vrijgemaakt (Galaten 5:1). We zouden elkaar liefhebben, nu we in hetzelfde lichaam van Christus zijn opgenomen. De liefde van God, de agapē, is leidend in wat we doen (Romeinen 12:9). Paulus geeft bijvoorbeeld in 1Corinthiers 7 op diverse vragen antwoord, maar doet dat niet als een nieuwe regelgeving. Hij overweegt uit de liefde van God, wat in het licht van zijn evangelie (verzoening en genade) de richting kan zijn vóór, tijdens en ná het huwelijk. En stelt ook vragen aan de Korintiërs om goed over na te denken, voor hun praktijk.

Aspecten om mee te laten wegen 
In het algemene denken over orgaandonatie wel of niet, wordt nauwelijks het geloof dat Gód er is en het vertrouwen op Hém ter sprake gebracht. David zegt over Hém: In Uw hand zijn mijn tijden. Wij willen leven ‘rekken’ en natuurlijk, God gebruikt het ál; ook medische kennis is in Zijn hand! Maar het is een vorm van hoogmoed om te denken dat ‘wij’ het wel uit kunnen maken, of een ander nog een nieuwe kans op een verder, beter leven heeft. Góds weg is niet alleen een weg van: mijn leven moet in mijn ogen kwalitatief goed en optimaal zijn in de zin dat ik mijn plezier en mijn werk kan doen zonder ziekte, zonder lijden en verdriet. ‘De’ moderne mens schuwt lijden en als het ons teveel is roepen we in Nederland de levenseindekliniek te hulp.

Maar zouden wij in ons leven niet moeten leren rekenen met Gód, sterker nog, leren ons in alles aan Hem toe te vertrouwen? Als gelovige worden we – door Hém Zelf- opgevoed en leren we stapje voor stapje Paulus naspreken dat lijden ook iets uitwerkt: We weten dat verdrukkingen volharding uitwerkt, en de volharding beproefdheid; en de beproefdheid verwachting. En de verwachting maakt niet beschaamd!

Hiermee wordt niet bedoeld dat mensen niet van alles moeten doen om het leven hier en nu met minder lijden te mogen leven: Gód geeft mogelijkheden. Maar tegelijk geeft ook Gód nabijheid en kracht in moeilijke situaties; en lijden is er dikwijls onderdeel van om Hém te leren vertrouwen, zich in álles geborgen te weten bij en in Hém. 

God echter gaat met elk individu Zijn weg in een groeiproces dat alleen Hij kent, en waarin álles meewerkt ten goede (voor hen die Hem liefhebben).

Verder is het ook zo, dat ons lichaam een tempel is van Gods geest, die in ons woont. Hij is inwonend in ons, wat een wonder! Daarover straks iets meer. God leert ons in een groeiproces, dat wij niet meer beheerst worden door het vlees, maar door Zijn geest. Dat roept dan mogelijkerwijs ook de vraag op, of je óók met dat vlees, omdat het voor/door Hem apart is gezet, geheiligd is, voor zover het van jou afhangt, niet in uiterste terughoudendheid zou omgaan; dus misschien ook m.b.t. transplantatie? Maar zeker, als de liefde (agapē – zie daarover ook verderop) een gelovige ergens toe aanzet of dringt, mag je in volkomen afhankelijkheid aan Hem in gebed Zijn leiding daarin vragen. Mag het ook uw ervaring zijn, dat Hij een gelovige toch op Zijn tijd en op Zijn wijze antwoord geeft.

Ieder mens mag dus in grote afhankelijkheid van Hem, onze Schepper én in afhankelijkheid van Degene in Wie wij leven, steeds voor zichzelf in gebed vragen wat bij dergelijke situaties in zijn of haar leven ‘meewerkt ten goede’. Daarmee is er ruimte voor Zijn opvoeding in geestelijke zin, voor leven in en door Zijn genade, naar wat Hij (ook aan verstaan van Zijn wil) geeft. Hetzij leven, hetzij dood. Maar – Goddank- mag elke gelovige nu al beseffen, dat we in onverderfelijkheid opgewekt zullen worden, tot Zijn eer en Zijn glorie!

Lichaam als tempel
Paulus noemt ons lichaam een tempel (naos in 1Corinthiers 3:16-17; 6:19; 2Corinthiers 6:16 en Efeziers 2:21). naos is in strikte zin het gebouw met de ruimte van het heilige plus de ruimte van het heilige der heiligen, dus de Tempel zelf, dit in tegenstelling met het tempelcomplex met plein en gebouwen eromheen, waarvan het Griekse woord hieron is. Een tempel is alleen een tempel als God er woning in heeft gemaakt.
  • Paulus vergelijkt onze lichamen als stuk voor stuk een woning van God, als naos, zoals de Tempel te Jeruzalem dat ooit was. Het is uitsluitend dit heilsfeit dat ons lichaam heilig maakt (1Corinthiers 3:16-17). Dat hebben wij absoluut niet aan ons gedrag te danken, maar heeft wel consequenties voor ons gedrag, wanneer wij ons van Zijn liefdevolle genade bewust zijn. Want de liefde van Christus dringt ons, nietwaar? (2Corinthiers 5:14).
  • De geest die in ons woning gemaakt heeft, bewerkt een groeiproces zoals Paulus in Efeziers 2:21-22 onthuld heeft: “… Christus Jezus, in Wie heel het gebouw, samengevoegd, groeit tot een heilige tempel (naos) in de Heer, in Wie jullie samengevoegd worden tot een woonplaats van God, in de geest.”
  • Over het wonen van Gods geest in ons zegt Paulus in Romeinen 8:8-11 dat men God in vlees niet kan behagen. Daarentegen zijn wij niet in vlees, maar in geest wanneer Gods geest in ons woont. Zoals Gods geest Christus Jezus uit de doden opgewekt heeft, zo ook zal Zijn geest onze stervende lichamen nu al, in de praktijk, levend maken.
  • Hier staat in een notendop wat als en scharlaken draad door geheel het evangelie van Paulus loopt, gechargeerd uitgedrukt: niet het vlees is zaligmakend, maar Gods levendmakende geest.

Onze   en toekomstige verandering
Onze Heer en Redder, Jezus Christus, zal ons vernederd lichaam omzetten, gelijkvormig aan Zijn heerlijkheidslichaam (Filippenzen 3:21).

Na de dood keert alles wat wij waren terug naar waar het vandaan kwam. Het lichaam keert terug naar de aardbodem, waaruit het genomen is (Gen.3:19), de ziel keert terug naar het onwaarneembare (Psalm 16:10; Handelingen 2:27) en de geest keert terug naar God (Prediker 12:7). God repareert het oude niet maar maakt alles nieuw (2Cor. 5:17). Dood is het tegengestelde van schepping. Wat geweldig om te weten dat de Schrift spreekt over opstanding, opwekking en levend­making. Dat zien we ook terug in 2Cor. 5:17: ‘Dus als iemand in Christus is, is er een nieuwe schepping; al het oude is voorbij. Zie, het is nieuw geworden!   

Wij zouden hieruit kunnen opmaken dat God geen ‘oude organen of weefsels’ nodig heeft of gebruikt voor het opstandingslichaam, want dat wordt volkomen nieuw

Dan resteren nog twee belangrijke aandachtspunten:

  • het motief en de intentie tot het afstaan of ontvangen van een orgaan;
  • de condities die daarmee gepaard gaan.

agapē als motief en intentie:
De intentie waarmee en het motief waarom men zou goedkeuren dat een orgaan van het ene lichaam naar het andere wordt getransplanteerd kan doorslaggevend zijn. Dat motief moet in ieder geval bij de donor onderzocht worden.

Een buitengewoon motief is de liefde, agapē!

  • Roept Paulus ons niet nadrukkelijk op tot een wandel in liefde zoals ook God in Christus ons liefheeft (Efeziers 5:1-2)?
  • In zijn brief aan de Colossenzen noemt hij de liefde de band van de rijpheid. Dat staat in een perikoop (3:12-17) waar hij concrete criteria voor ons gedrag aanreikt, zoals medelijdend mededogen, mildheid, ootmoedige gezindheid, zachtmoedigheid, geduld!
  • Dat onze liefde ook geldt voor de naaste buiten de gemeente die het lichaam van Christus, blijkt uit Romeinen 13:9-10 dat besluit met “De liefde bewerkt voor de naaste geen kwaad. Het complement dan van de wet is de liefde.”

Over andere vormen en tijden van doneren

Wij hebben in de bovenstaande tekst niet geschreven over vormen van het doneren van organen, weefsels en bloed, die tijdens het leven van een donor kunnen worden gedaan. 

Hierbij zijn weer andere overwegingen te maken, dan bij doneren ‘na overlijden’. Desondanks kan de inhoud van het bovenstaande toch ook behulpzaam zijn in dergelijke omstandigheden.

Stamceldonatie
Een apart hoofdstuk is stamceldonatie, bijvoorbeeld ten behoeve van leukemiepatiënten bij wie andere therapieën geen effect sorteerden. Om stamceldonor te kunnen zijn is een match met de betrokken patiënt noodzakelijk anders is stamceltransplantatie bij voorbaat gedoemd te mislukken. Meestal lukt dat bij (naaste) familie. Voor stamceldonatie behoeft men niet per se overleden te zijn.

Bloeddonatie
Men kan zich afvragen of bloed een orgaan is. Het is een kwestie van definiëren van wat een orgaan is. Wanneer men een orgaan als “een verzameling van verwante weefsels” definieert, is bloed geen orgaan, maar een transportmiddel van velerlei cellen en stoffen van en naar organen. Bloed is van levensbelang voor de aanvoer van zuurstof naar de organen. Stagnatie kan ernstige, blijvende of dodelijke gevolgen hebben, vooral voor de hersenfuncties.

  • Aangezien het geven van bloed een zaak tussen levenden is en niet onder het regime van de Wet op de orgaandonatie valt, ga wij er verder niet nader op in.
  • Voor een godsdienstig aspect spreekt 1Corinthiers 15:50 over het betrekkelijke van vlees en bloed en ook dat ze geen ticket voor een lotdeel in het koninkrijk Gods kunnen zijn.    

Tot slot
Voor wat betreft de wet op orgaan donatie geven wij u geen advies over al dan niet donor zijn. Elke situatie is anders en elke gelovige is in het eigen groeiproces naar Hem toe. Wél noemen wij enkele accenten die extra aandacht verdienen:

  1. Als u geen keuze invult in het donor register, vult de overheid ‘geen bezwaar tegen orgaandonatie’ in voor u.
  2. De afweging tussen ‘hersendood’ en ‘volkomen dood’ is een belangrijke overweging om mee te nemen en om eventueel in een handgeschreven codicil of in een levens­testament vast te leggen.
  3. Wanneer orgaandonatie door liefde wordt ingegeven, kunt u zich afvragen of dit al dan niet verbonden is met iemand die u dierbaar is of dat dit door u veel breder opgevat wordt. Agapê is niet slechts “vriendschap”, maar pure, onbaatzuchtige liefde.
  4. Mochten de vier keuzemogelijkheden voor u niet passend zijn, overweeg dan of een codicil of levenstestament dat bij (één van) uw naasten bekend is, een voor u passende mogelijkheid is, als aanvulling op keuzemogelijkheid drie in het donorregister.

Wij hopen dat de inhoud van dit document voor u antwoord geeft op mogelijke vragen die bij u leven.

15. mrt, 2021

 

De tweede Timotheüs-brief is Paulus’ geestelijk testament. Hij schreef deze persoonlijke brief in afwachting van zijn executie (4:6). Het is een krachtig schrijven, waarin hij zijn jonge(re), trouwe medewerker een hart onder de riem steekt om vooral vasthoudend te zijn en niet mee te gaan in de neerwaartse stroom. Allen in Asia hadden Paulus verlaten (1:15) en het is tegen die achtergrond dat de apostel waarschuwt dat het in de christenheid van kwaad tot erger zou worden. Uiteindelijk zou men de gezonde leer niet meer verdragen (4:3). In hoofdstuk 3 voorzegt Paulus tot in detail hoe de morele en geestelijke toestand zou zijn in de laatste dagen van de christelijke wereld (“met een schijn van eerbied”). Niet slechts ontwikkelingen in “latere tijden” zoals hij daar Timotheüs eerder op had gewezen (1Tim.4:1), maar “laatste dagen”. Overtreffende trap. De beschrijving vertoont een markante overeenkomst met die in Romeinen 1, met dit verschil dat in Romeinen 1 gesproken wordt over de ‘heidenwereld’ die GOD niet erkent. Deze overeenkomst demonstreert hoezeer de neergang van de christenheid in de eindfase een dieptepunt zal hebben bereikt.

Dan volgt in 2Timothüs 3 een tweetal verzen waar de meeste uitleggers weinig raad mee weten. Hieronder volgt een tamelijk letterlijke werkvertaling op basis van de ISA-interlinear.

Op welk fenomeen doelt Paulus hier? Laten we de tekst eerst eens nauwkeurig bezien en zinsdeel voor zinsdeel bespreken.

want uit hen zijn zij…

Schreef Paulus in vers 1 in de toekomende tijdsvorm (“gevaarlijke tijden zullen zijn”), hier schrijft hij in de tegenwoordige tijdsvorm. Al is het wel zo dat de mensen waarop hij doelt, voortkomen uit de groep die hij had voorzegd in vers 1 tot 5. Het “uit hen” doelt immers op de groep die hij noemde in het voorgaande vers (:5). Paulus beschrijft toekomende “laatste dagen”, maar de contouren daarvan ontwaart hij reeds in zijn tijd. In de kiem waren de ontwikkelingen reeds actueel voor Timotheüs, maar pas in de laatste dagen zouden ze zijn volgroeid. Waarmee deze brief in de (verre) toekomst dus actueler zou zijn, dan in de dagen dat Paulus deze woorden optekende.

die de huizen binnensluipen…

Degenen die Paulus beschrijft komen de huizen binnensluipen. Sneaky dus. Het binnendringen vindt plaats ‘onder de radar’, zonder dat de heer des huizes daar kennelijk erg in heeft.

en vrouwtjes in krijgsgevangenschap brengen…

Het werkwoord dat hier wordt gebruikt betekent onmiskenbaar “in krijgsgevangenschap brengen”. Het werkwoord (Str.163) komt nog drie keer voor in het NT (Luc.21:24; Rom.7:23; 2Kor.10:5) en wordt dan ook gewoonlijk zo vertaald. Het is een oorlogsterm. Het idee is dat de vrouwen die in de huizen waren, worden meegenomen door de indringers. De NBG-weergave “inpalmen” is daarom onjuist. De NBV-vertaling vertaalt helaas nóg vrijer:

Maar het gaat niet over ‘opdringen aan’ maar over ‘indringen binnen’. En niet slechts over ‘in hun macht krijgen’ maar over ‘in krijgsgevangenschap brengen’.  Ook noemt Paulus de slachtoffers geen ‘vrouwen’ maar….

vrouwtjes…

Het verkleinwoord voor vrouwen valt op. Het komt alleen hier voor in het NT. Bij “vrouwtjes” hebben we uiteraard niet te denken aan een klein postuur van de betrokken dames maar bedoelt het minachting uit te drukken. Het is ook niet Paulus die laatdunkend over de vrouwen spreekt, de indringers doen dat. Hebben zij vrouwen ervan overtuigd dat hun positie in de huizen minderwaardig is, en onder dat voorwendsel hen meegenomen?

die beladen zijn met zonden en geleid worden door gevoelens

Wat volgt is een beschrijving van deze “vrouwtjes” die meegenomen zijn in krijgsgevangenschap. Het eerste is dat ze beladen zijn met zonden en geleid worden door gevoelens. Het “en” kan hier het best verklarend worden opgevat. “… die beladen zijn met zonden, namelijk geleid worden door gevoelens…”. Niet gevoelens (emoties of begeerten) op zichzelf zijn zondig maar wel het daardoor geleid worden. Eenmaal op die weg worden zonden opgestapeld – er is geen einde aan de missers die daarvan het gevolg zijn. Gevoelens hebben controle nodig. Paulus beschrijft een vooral vrouwelijke valkuil omdat bij vrouwen gevoelens doorgaans meer op de voorgrond treden dan bij mannen. Hun meer ontwikkelde gevoelsleven is hun kracht (b.v. in de opvoeding van kleine kinderen) maar waar het leidinggeven betreft is het eerder een zwakte.

die altijd leren en nooit tot besef van waarheid kunnen komen…

Het “altijd leren” zou in bijna elke andere context als positief worden beoordeeld. In de Joodse leefwereld die zowel Paulus’ als Timotheüs’ achtergrond vormde, wordt ‘lernen’ (leren, studeren) als zó belangrijk beschouwd, dat het zelfs daden van filantropie overtreft. De waarde van leren is dat men daardoor steeds meer van de waarheid gaat verstaan. Het “altijd leren” hier echter is een diskwalificatie aangezien het niet tot besef van waarheid leidt. Sterker nog: ze kunnen niet eens tot besef van waarheid komen.

De reden voor dit niet kunnen komen tot besef van waarheid, lazen we in de voorgaande zin: men wordt geleid door gevoelens. Waar gevoel en sentiment leidend worden, is men per definitie niet meer ontvankelijk voor de waarheid. De waarheid is (spreekwoordelijk) hard, en dat is maar goed ook. Want dat kwalificeert de waarheid als een rots waarop men kan staan en bouwen. Gevoel en sentiment daarentegen zijn zacht, kneedbaar en beweeglijk. Het woord ‘emotie’ is ook afgeleid van ‘motion’ dat beweging betekent (denk aan gemoedsbeweging). Gevoel en waarheid zijn onafhankelijk van elkaar. Feiten worden niet beïnvloed door gevoelens – ze staan er volstrekt los van. Met dit te onderkennen begint “besef van waarheid”.

De vrouwen die “altijd leren” zijn meegenomen uit hun huizen en daarmee niet langer primair moeder en vrouw, maar als “altijd lerend”. Misschien onder het voorwendsel van bevrijding, maar Paulus kwalificeert het als “in krijgsgevangenschap gebracht”. Want ze is terecht gekomen in een positie waar ze niet thuishoort en waar ook dingen van haar worden verwacht die niet bij haar passen en daarom knellen.

zoals… zo weerstaan ook dezen de waarheid…

Vanaf vers 8 gaat de beschrijving niet meer over de vrouwen, maar over hen die de huizen binnendrongen. Want “dezen” in het Grieks is mannelijk, evenals het eerdere “zij die de huizen binnensluipen” (:6). Zoals de altijd lerende vrouwen niet tot besef van de waarheid kunnen komen, zo weerstaan de indringers de waarheid. Zoals de Egyptische magiërs Mozes weerstonden door met hun trucs en magie hem te imiteren, zo weerstaat de beweging van de huizen-indringers de waarheid.

overzicht

Met de bovenstaande analyse van de tekst kunnen we nu het beeld wat scherper gaan stellen. De gangbare pogingen van uitleggers om 3:6 en 7 kerkhistorisch op te vatten doen m.i. geen recht aan de context waarin Paulus dit neerzet. De context impliceert dat het gaat over een karakteristieke beweging in de christenheid in haar eindfase. Waarbij ik in deze blog stilzwijgend er vanuit ga dat wij ons (nu bijna twee millennia na Christus’ heengaan) in die eindfase bevinden. Laat ik het profiel van de beweging zoals boven besproken, puntsgewijs samenvatten:

  1. men dringt de huizen binnen zonder dat de man dit door heeft;
  2. met minachting spreekt men over vrouwen in de huizen;
  3. vrouwen worden buiten de huizen geleid;
  4. de vrouwen wordt geleerd zich te laten leiden door gevoelens;
  5. vrouwen zouden altijd opgeleid worden;
  6. de vrouwen zijn geblokkeerd om tot besef van waarheid te komen.

het feminisme

Ik ken slechts één beweging uit de laatste eeuw die aan dit profiel in alle opzichten beantwoordt en dat is het feminisme. Een beweging die…

  1. succes kon hebben omdat de man zijn rol als bewaker en heer van het huis(gezin) verzaakte;
  2. minachtend spreekt over de positie van de vrouw als echtgenote en moeder;
  3. promoot dat de vrouw buitenshuis haar levensvervulling zou vinden;
  4. voorstaat dat een mens eerst zou luisteren naar de gevoelens;
  5. bepleit dat vrouwen altijd (zouden) leren voor een beroep buitenshuis;
  6. door haar softe (gevoels-georiënteerde) mens- en wereldbeeld niet ontvankelijk is voor (Bijbelse) waarheid.

In plaats van een uitleg die steun zoekt in vage, buiten-bijbelse verwijzingen in het verleden, komen we door nauwkeurig de tekst te volgen, m.i. uit bij één van de meest karakteristieke bewegingen van de afgelopen honderd jaar! En wel precies daar, waar we dat mochten verwachten: in ‘het christelijke westen’ waar men het spoor der waarheid bijster is geraakt. Zodat Paulus’ beschrijving in 2Timotheüs 3:6 en 7 als een puzzelstuk past: qua tijd (“laatste dagen”) alsook qua plaats (> de christelijke wereld). Zonder het woord feminisme te (hoeven) noemen, herkennen we haar eigenschappen in Paulus’ treffende beschrijving!

15. mrt, 2021

Al vanaf maart 2020 werd ons via tal van mediakanalen voorgehouden dat de corona-maatregelen zouden voortduren, totdat er een vaccin beschikbaar zou komen. Inmiddels zijn er diverse vaccins ontwikkeld en via grootscheepse programma’s zullen deze de komende maanden aan de wereldbevolking worden toegediend. Moeten we daar blij mee zijn, zoals de media ons graag vertellen? Of zijn er redenen om deze hele ontwikkeling te wantrouwen?

aarzeling

Van diverse kanten ben ik recent benaderd om deze kwestie te belichten op GoedBericht.nl. Velen hebben twijfels over wat er gaande is en vragen zich af wat wijsheid is in deze. Het is met enige aarzeling dat ik dit onderwerp hier ter sprake breng. Want wat heeft het al of niet nemen van een vaccin van doen met de Bijbelse boodschap? Liggen dergelijke medische keuzes niet in de puur persoonlijke sfeer? In het algemeen is dat ook mijn insteek. Toch lijkt het me duidelijk dat er met dit vaccin meer aan de hand is dan een willekeurig medicijn dat op de markt wordt gebracht. Het vaccinatieprogramma is een globale trend, in een moordend tempo ontwikkeld en onder veel pressie aan de man gebracht. Sommigen vrezen met deze vaccins zelfs schrikbeelden van apocalyptische proporties. In hoeverre is dat terecht?

een vaccin het teken van het Beest?

In een blog vorig jaar, schreef ik over plannen voor een onderhuidse chip en besprak ik ook de link met Openbaring 13. Ik stelde toen vast dat een onderhuidse chip niet één-op-één gelijk te stellen is met het daar genoemde “teken van het Beest”. In Openbaring 13 gaat het over een beeld van “het Beest uit de zee”, dat is de leider van een federatie van tien staten in het Midden Oosten. Zijn beeld zal worden opgericht op het tempelplein in Jeruzalem en aanbidding zal daarvoor worden opgeëist. Wie weigert daarin mee te gaan zal geen teken ontvangen op de hand of op het voorhoofd en niet kunnen kopen of verkopen. Wat beschreven wordt is toekomstig en op dit moment niet aan de orde. Ook het nu lopende wereldwijde vaccinatieprogramma is daarmee niet gelijk te stellen. Een vaccin dat wordt aangebracht in de bovenarm is nu eenmaal wat anders dan een teken op de hand of op het voorhoofd. En aanbidding van een beeld is nu evenmin in het geding. Enzovoort.

niet kopen en verkopen zonder vaccinatie?

Toch dringen zich met het huidige vaccinatieprogramma wel associaties op met Openbaring 13. Er is sprake van grote druk op mensen om het vaccin te nemen en van allerlei kanten wordt nu al bepleit dat wie het vaccin weigert, toegang ontzegd zou worden tot publieke ruimten. Zo wordt het denkbaar dat weigeraars straks niet met het openbaar vervoer kunnen reizen of de toegang ontzegd zal worden tot winkels. Dus niet kunnen kopen of verkopen zonder vaccinatiebewijs. Dat is inderdaad niet hetzelfde als wat wordt beschreven in Openbaring 13, maar de parallel is onmiskenbaar.

argwaan over tempo

Alle corona-maatregelen sinds maart 2020, worden wereldwijd aangestuurd vanuit de WHO (o.l.v. de Verenigde Naties). Ook het propaganda offensief dat momenteel wordt gevoerd voor het nemen van een vaccin, is globaal van opzet. Dat is uniek. Nooit eerder in de geschiedenis zijn binnen enkele maanden vaccins ontwikkeld waarmee vervolgens de hele wereldbevolking in rap tempo moet worden gevaccineerd.

Normaal gesproken neemt de ontwikkeling van een medicijn of vaccin vele jaren in beslag. Het wordt aan talloze testen onderworpen alvorens deze op de markt worden gebracht. Vooral mogelijke bijwerkingen op langere termijn moeten worden uitgesloten. Het spreekt voor zich dat aan deze laatste eis, bij de vaccins die nu in korte tijd zijn ontwikkeld, niet kan zijn voldaan. Vandaar ook dat de fabrikanten van de vaccins geen aansprakelijkheid accepteren voor eventuele bijwerkingen op termijn. Maar als de fabrikanten voor hun producten niet kunnen instaan, waarom zou de consument daar dan wel vertrouwen in moeten hebben?

genetische modificatie

Daar komt bij dat het mRNA-vaccin, een nieuwe technologie betreft. Volgens immunoloog professor Pierre Capel is het niet eens een vaccin in de gangbare zin van het woord, maar een experiment in genetische modificatie. Hoewel velen enthousiast zijn over deze nieuwe techniek zijn er ook experts die waarschuwen voor grote risico’s. Kan dit niet gigantisch uit de hand lopen? Welke effecten zou ingrijpen in het erfelijk materiaal kunnen hebben? Veel daarover is nog onbekend. Professor Dr. Theo Schetters, een gerenommeerde naam op dit gebied, stelt dat mRNA-vaccins onbewezen zijn voor wat betreft:

  • bescherming tegen ernstige C19 ziektes;
  • lange termijnrisico’s (bijv. auto-immuunziektes);
  • voorkomen van besmettelijkheid.

intimidatie

Van overheidswege en via de media wordt de angst voor het corona-virus dag in, dag uit aangewakkerd en zelfs opgevoerd. Het is logisch dat dit ook bijdraagt aan de vaccinatie-bereidheid onder de bevolking. Maar wie onafhankelijk en kritisch denkt laat zich door zulke druk en door eenzijdige informatie niet intimideren. Zeker wanneer vaccinatiedwang (direct of indirect) om de hoek komt kijken, zouden alle alarmlichten moeten gaan knipperen. Tot dusver vormen totalitaire maatregelen de rode draad door heel het coronabeleid. Grondwettelijk vastgelegde vrijheden worden één voor één omzeild en opgeofferd. Dat was eerst de anderhalve meter regel, de lockdown en later het verplichte mondkapje. En nu de vraag: hoe vrijwillig zal straks het vaccin blijken?

de hamvraag

Ieder van ons wordt de komende tijd geconfronteerd met de vraag: laat ik me vaccineren, of niet? Het antwoord daarop hangt af van een andere vraag: welk risico schat je zwaarder in: dat van het virus of dat van het vaccin?* Wie ben ik om dat voor een ander te bepalen? Zelf sta ik straks zeker niet in de rij om me te laten vaccineren. Maar iedereen zal daarin zijn eigen afwegingen moeten maken. Wie zich wel laat vaccineren is niet meer, en wie zich niet laat vaccineren is niet minder. Dat is de vrijheid die we elkaar zouden laten (1Kor.10:23,31).


* Waarbij ik nog buiten beschouwing laat dat voor een aanzienlijk deel van de bevolking ook de indirecte dwang een belangrijk motief zal zijn om het vaccin te nemen. Want bij weigering van het vaccin riskeert men mogelijk ernstige maatschappelijke buitensluiting (zoals beroepsuitoefening, bezoek van evenementen, horeca, enz.).

15. mrt, 2021

Wordt het fenomeen van corona in ‘de Openbaring’ reeds genoemd? Zo ja, hoe gaat dat dan aflopen?

Het bijbelboek ‘de Openbaring’ beschrijft een tweetal reeksen van zeven gebeurtenissen die leiden tot de wereldwijde vestiging van het Koninkrijk van GOD op aarde. De eerste reeks wordt beschreven in de opening van de zeven zegels van de boekrol. Deze boekrol is gegeven aan “het Lammetje” dat geslacht is, die bovendien “de Leeuw van Juda” is. De boekrol representeert de eigendomsakte van “het land”, te weten het land Israël.  Bij het zesde zegel verschijnt de Messias aan Israël (= de verduistering van zon en maan; hoofdstuk 6) en bij het zevende zegel verzamelt hij de twaalf stammen uit alle volken, talen en natiën (hoofdstuk 7). Vervolgens wordt in een reeks van zeven bazuinen, heel de wereld veroverd.

het eerste zegel

Alles begint echter met de opening van de zeven zegels. Deze zegels vormen zeven obstakels die verwijderd moeten worden voordat de eigendomsclaim op “het land”, feitelijk van kracht kan worden. De opening van het eerste zegel wordt beschreven in hoofdstuk 6:2.

En ik nam waar en let op: een wit paard en die op hem zit had een boog en aan hem werd gegeven een krans en hij ging uit, overwinnend en om te overwinnen.

Deze ruiter op het witte paard doet direct denken aan de Messias (19:11) en dat is ook precies waar deze ruiter op lijkt… maar niet is. Hij heeft een boog waar kennelijk dreiging vanuit gaat, maar van oorlog voeren is geen sprake. En toch voert hij een triomftocht, “overwinnend en om te overwinnen”. Maar Johannes wijst op een detail dat aan de triomftocht voorafgaat: aan de ruiter wordt “een krans gegeven”. Het Griekse woord dat hier staat is ‘stephanos’ dat meestal vertaald wordt met ‘kroon’, wat niet zo vreemd is, aangezien een kroon gedefinieerd wordt als een ‘kransvormig hoofdsieraad’. Het Latijnse woord voor ‘stephanos’ is… ‘corona’. We zien dat in de oude Latijnse vertaling van het Nieuwe Testament, de zogenaamde Vulgata, waar de tekst in Openbaring 6:2 luidt:

et vidi et ecce equus albus et qui sedebat super illum habebat arcum et data est ei corona et exivit vincens ut vinceret

Is dit niet opmerkelijk?! Aan de ruiter op het witte paard wordt corona gegeven “en hij ging uit, overwinnend en om te overwinnen”. De eerste gebeurtenis die plaatsvindt in de afwikkeling van het eindtijdelijk drama, is het gegeven van corona.

cornona

Natuurlijk moeten we voorzichtig zijn met al te voorbarige conclusies. Het feit dat vanuit het Latijn in Openbaring 6:2 onmiskenbaar sprake is van corona, betekent niet perse dat daarmee dus verwezen wordt naar het fenomeen van corona, zoals dat momenteel heel de wereld beheerst. En toch… de overweging dringt zich onwillekeurig aan ons op. Want zien we niet voor onze ogen voltrekken dat corona heel de wereld (inclusief het land Israël!) in haar greep heeft?

Daarmee suggereer ik niet dat Openbaring 6:2 zou refereren aan de huidige corona-crisis. Integendeel zelfs. Want in dit vers wordt geen wereldwijde crisis beschreven maar juist een triomftocht die zelfs gelijkenis vertoont met de Messiaanse tijd. Ik verwijs nogmaals naar de overwinnende ruiter op het witte paard. Overigens, deze ruiter verwijst niet noodzakelijk naar één enkel personage, want dat doen de navolgende ruiters op het rode, zwarte en groene paard evenmin. Er is wel sprake van een symbool van dreiging (“een boog”) maar niet van oorlogvoering. Wat benadrukt wordt, is het werkwoord overwinnen (“overwinnend en om te overwinnen”). Voor zover hier al sprake is van een crisis, dan is het een crisis die spectaculair overwonnen wordt! Noemen we de “kroon” of “krans” in Openbaring 6:2 inderdaad naar het Latijnse corona, dan gaat het om een corona-overwinning.

eerst crisis, daarna overwinning

Op dit moment wordt de wereld steeds dieper in de corona-crisis getrokken. Door het virus zelf maar veel meer nog door alle gevolgen van de genomen maatregelen. Lockdowns, vergaande controle en vrijheidsbeperking. Maar bovenop dit alles een economische ramp die in golven over ons heen gaat komen. Hoelang gaat dit duren? En hoe gaat dit aflopen? Komt er een oplossing? Het antwoord is: jazeker, want dat is waar ‘de Openbaring’ feitelijk mee begint. De eerste ontwikkeling op aarde i.v.m. “de openbaring van Jezus Christus” is een imitatie van de tijd van de Messias. Een ongekende euforie zal er heersen. 1Thessalonika 5:3 refereert aan die tijd; men zal zeggen: “vrede en zekerheid!”.

Stel je voor hoe groot de opluchting zal wezen als eenmaal de huidige crisis voorbij zal zijn (door een vaccin?). En wat als deze corona-crisis tevens tot een reset van het economisch, financieel en monetair systeem zal leiden? Hoe deze post-corona tijd er verder uit zal zien, is nu niet het onderwerp. Maar zeker is: deze crisis wordt overwonnen en paniek zal plaatsmaken voor gerustheid en zekerheid. Althans, zo lang als het duurt, want het is schijn-zekerheid en vals-messiaanse euforie. Zoals ook vandaag reeds het geval, zal de wereld steeds meer worden betoverd door misleiding. Blijf (daarom) wakker!