11. okt, 2021

1 Timotheüs 2:1,2

‘Ik vermaan u dan allereerst smekingen, gebeden, voorbeden en dankzegging te doen voor alle mensen, voor koningen en alle hooggeplaatsten, opdat wij een stil en rustig leven mogen leiden in alle godsvrucht en waardigheid.’

Bijschrift

Hier spreekt Paulus zijn trouwe medewerker Timotheüs aan. Het is misschien wel bijzonder om hierbij op te merken dat Paulus geen uitzondering maakt. Hij zegt bijvoorbeeld niet: voor alle gelovigen, of goede koningen, maar alle mensen.

Zou Paulus een ‘roze bril’ opgehad hebben en niet op de hoogte zijn geweest van wat voor slechteriken hierbij hoorden? Integendeel! Hij wist van koning Herodes, die Johannes de doper liet onthoofden, van Herodes en Pilatus, bij de kruisiging van de Heer, van de keizers, zoals Claudius I, die de Joden uit Rome wegjoeg in het jaar 49. Daar was Paulus goed van op de hoogte. Maar de instructie aan Timotheüs, die nog in Efeze verbleef, had een duidelijk doel: ‘… opdat wij een stil en rustig leven mogen leiden in alle godsvrucht en waardigheid.’