13. mrt, 2021

Filippenzen 3:17–4:9 – Kijk mij eens …

Paulus’ voorbeeld – Vermaningen

17Weest allen mijn navolgers, broeders, en ziet op hen, die evenzo wandelen, gelijk gij ons tot voorbeeld hebt. 18Want velen wandelen – ik heb het u dikwijls van hen gezegd, maar nu zeg ik het ook wenende – als vijanden van het kruis van Christus. 19Hun einde is het verderf, hun God is de buik, hun eer stellen zij in hun schande, zij zijn aardsgezind. 20Want wíj zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten, 21die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt, naar de kracht, waarmede Hij ook alle dingen Zich kan onderwerpen.
1Daarom, mijn geliefde broeders, naar wie mijn verlangen uitgaat, mijn blijdschap en kroon, staat alzo vast in de Here, geliefden!
2Euodia vermaan ik en Syntyche vermaan ik, eensgezind te zijn in de Here. 3Ja, ik vraag ook u, mijn trouwe metgezel: wees haar behulpzaam. Want zij hebben tezamen met mij in de prediking van het evangelie gestreden, naast Clemens en mijn overige medearbeiders, wier namen staan in het boek des levens.
4Verblijdt u in de Here te allen tijde! Wederom zal ik zeggen: Verblijdt u! 5Uw vriendelijkheid zij alle mensen bekend. De Here is nabij. 6Weest in geen ding bezorgd, maar laten bij alles uw wensen door gebed en smeking met dankzegging bekend worden bij God. 7En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten behoeden in Christus Jezus.
8Voorts, broeders, al wat waar, al wat waardig, al wat rechtvaardig is, al wat rein, al wat beminnelijk, al wat welluidend is, al wat deugd heet en lof verdient, bedenkt dat; 9wat u geleerd en overgeleverd is, wat gij van mij gehoord en gezien hebt, breng dat in toepassing en de God des vredes zal met u zijn.
 

Bijschrift

Hoe erg kan je het tegenwoordig maken? Als je zegt: kijk eens naar mij, om te weten hoe het werkt …, dan word je zeker niet geaccepteerd; dan word je toch voor arrogant versleten?

En toch, Paulus presteert het om te zeggen: kijk nou eens naar mij – NIET om zich boven ons te verheffen, maar juist om naast ons te gaan staan. Wij zijn niet veel anders, niet verschillend van elkaar, lijkt hij te zeggen; wij zijn (gezamenlijk) burgers van een rijk in de hemelen.

We leven nu nog hier, op aarde; maar we hebben al een ‘paspoort’ van een ander rijk. Een rijk, waarin ons vernederd lichaam vervangen zal worden door een verhoogd (verheerlijkt) lichaam, gelijkvormig aan dat wat Christus bij zijn opstanding verkregen heeft.