9. mrt, 2021

Filippenzen 1:12-26 – Zegen, ondanks lijden

12Ik wil, dat gij weet, broeders, dat hetgeen mij wedervaren is veeleer tot bevordering van de evangelieprediking heeft gestrekt. 13Daardoor toch is aan het gehele hof en aan al de overigen duidelijk geworden, dat ik in gevangenschap ben om Christus’ wil, 14en het merendeel der broeders in de Here heeft door mijn gevangenschap vertrouwen gekregen om met des te meer moed onbevreesd het woord Gods te spreken. 15Sommigen prediken de Christus wel uit nijd en twist, maar anderen doen het met goede bedoeling. 16Dezen verkondigen de Christus uit liefde, daar zij weten, dat ik tot verdediging van het evangelie gesteld ben, 17maar genen uit eigenbelang, met de onzuivere bedoeling, mij de gevangenschap zwaar te maken.
18Wat doet het ertoe? In elk geval, hetzij met een bijoogmerk, hetzij in oprechtheid, wordt Christus verkondigd; en daarin verblijd ik mij, en zal ik mij ook verblijden. 19Want ik weet, dat dit mij tot behoud zal strekken door uw gebed en de bijstand des Geestes van Jezus Christus, 20naar mijn vurig verlangen en hopen, dat ik in geen enkel opzicht beschaamd zal staan, maar dat met alle vrijmoedigheid, zoals steeds, ook nú Christus zal worden grootgemaakt in mijn lichaam, hetzij door mijn leven, hetzij door mijn dood. 21Want het leven is mij Christus en het sterven gewin. 22Indien ik in het vlees blijf leven, betekent dat voor mij werken met vrucht, en wat ik moet kiezen, weet ik niet. 23Van beide zijden word ik gedrongen: ik verlang heen te gaan en met Christus te zijn, want dit is verreweg het beste; 24maar nog in het vlees te blijven is nodiger om uwentwil. 25En in deze overtuiging weet ik, dat ik zal blijven en voortdurend bij u allen zijn, opdat gij verder moogt komen en u in het geloof verblijden. 26Dan zult gij ruimschoots reden hebben om over mij te roemen in Christus Jezus, wanneer ik weder bij u kom.

Bijschrift

Paulus heeft in zijn leven veel tegenwerking en problemen ontmoet; elders in zijn brieven geeft hij daar een opsomming van. Als hij de brief aan de Filippenzen schrijft, zit hij in Rome in de gevangenis. Hij ervaart dat (ook) die omstandigheden tot zegen strekken; niet alleen hij wordt erdoor bemoedigd, maar ook ‘broeders’ die dankzij de gevangenschap van Paulus met nog meer overtuiging het woord Gods spreken.

Paulus is in afwachting van zijn verschijnen voor de keizerlijke rechtbank. Hij ziet daar niet tegenop, integendeel, hij hoopt dat door zijn getuigenis aldaar, Christus groot gemaakt zal worden.

Dan komt Paulus op het punt aan, dat hij eigenlijk niet goed weet wat beter voor hem persoonlijk is: leven of sterven. Wat hem betreft lijkt hij te kiezen voor sterven, maar hij realiseert zich ook, dat hij nog nodig is voor de gemeente: ‘… opdat gij verder moogt komen en u in het geloof verblijden.’ vs.25b