22. mrt, 2021

God heeft Zich in Zijn Woord op vele manieren geopenbaard. Zijn laatste en hoogste openbaringen kennen wij in de vorm van brieven, in het bijzonder die van Paulus. Brieven moeten van een adres zijn voorzien om er zeker van te zijn, dat ze bij de juiste personen terechtkomen. Daarom is het wel zo netjes om vóór het openen van de brief na te gaan of die wel voor ons bestemd is. Een voorbeeld van zo’n adressering is Efeziers 1:1. Daarover willen wij het hierna hebben.

De naam Paulus
De naam “Paulus” heeft een vreemde klank voor iemand, die gewend is aan de Hebreeuwse titels van veel oude boekrollen. Paulus was vanzelfsprekend een Israëliet, zoals de meesten van de door God geïnspireerde schrijvers. Hij heette oorspronkelijk Saulus, maar God veranderde die Hebreeuwse naam (שאול (Shaoél), “Gevraagde”) in de niet-Hebreeuwse naam Paulus. Die verandering vond plaats op het keerpunt in Paulus’ leven, toen hij afgezonderd werd van zijn broeders voor een speciale bediening onder de natiën (Hand.13:2-3). Maar dat is niet het enige, want bij de allereerste keer, dat wij lezen over een rechtstreekse prediking van het evangelie aan een heiden- niet aan een proseliet – wordt ons bijna terloops verteld, dat Saulus “ook Paulus”genoemd werd. Dat gebeurde tijdens zijn reis door Cyprus (Hand.13:4-12). Ook de proconsul te Cyprus droeg die naam: Sergius Paulus, een heiden, de eerste die het evangelie aannam zonder eerst proseliet te worden. Maar nog opvallender is het optreden van Paulus tegenover Elymas, de tovenaar, die erop uit was de proconsul van het geloof te doen afvallen. Elymas staat zonder twijfel model voor Israël en de tegenstand van die zijde tegen Paulus’ bediening aan de natiën. Opmerkelijk is het wonder, dat Paulus toen deed en dat zo’n schrille tegenstelling vormt met zijn andere, genadevolle daden: hij bracht een blindheid over de afvallige Jood voor een bepaalde tijd (lett. “tot een era”). Zo kwam Elymas ook model te staan voor de verblinding van Israël als Paulus aan de natiën redding verkondigt.

De naam Paulus (Paulos) is in volledige overeenstemming met de aard van zijn bediening. Meestal wordt aangenomen, dat Paulus een Romeinse naam was, die “kleine” betekent. Maar het is veel waarschijnlijker, dat de naam uit het Grieks komt, van de woordstam pau, dat “ophouden” betekent. Denk maar aan ons woord “pauze”. Zijn naam is dan ook een verwijzing naar de pauze in Gods handelen met Israël: de tussentijd, waarin het volk, net zoals Elymas, blind is (Rom. 5:11). Dat is belangrijk om te weten. Want steeds als wij één van de brieven van Paulus lezen, moeten wij ons ervan bewust zijn, dat wat hij schrijft, betrekking heeft op de periode van Israëls blindheid. Het feit dat alle brieven van Paulus zijn naam dragen, maakt ze tot een eenheid en doet ze samenvallen met de periode, waarin Gods genade de natiën toestroomt (zie: “De Kalender van God”, zie plaatje hierboven).

Kalender van God(zie plaatje hierboven)

Paulus stelt zichzelf voor al naar gelang het karakter van de brief. Als het over dienstbetoon gaat, stelt hij zich voor als slaaf. Als het een leerstellig betoog met autoriteit van Paulus betreft, introduceert hij zich als apostel. Maar gaat het om gemeenschap van broeders, dan worden ook andere namen genoemd. De zogenoemde “volkomenheidsbrieven” (Efeziërs, Filippenzen en Colossenzen) zijn hiervan mooie voorbeelden. Als bevoegd onthuller van het geheimenis richt hij zich tot zijn lezers in de brief aan de Efeziërs als apostel. In Filippenzen, waarin het vooral gaat om dienstbetoon en broederschap, gebruikt hij de titel slaaf, samen met Timotheüs. In Colossenzen, waarin hij schrijft over correctie en eensgezindheid, is hij weer de apostel, samen met Timotheüs. 

Paulus, apostel
De openbaring van het geheimenis staat of valt met Paulus’ autoriteit als apostel. Er waren nogal wat mensen die zijn recht op die titel ontkenden of afwezen. Hij behoorde immers niet tot de twaalven. Op die plaats kon hij geen aanspraak maken. Hij werd pas apostel, nadat het belangrijkste deel van de bediening van de twaalf apostelen een feit was. De plaats van Judas moest worden ingenomen door iemand, die met Christus was omgegaan vanaf de doop van Johannes tot en met Zijn hemelvaart (Hand.1:21-22). Dat was een voorwaarde, waaraan Paulus, die helemaal niet met Hem was omgegaan, niet voldeed. Het was nodig, dat hij onze Here eerst leerde kennen na Zijn hemelvaart. Hij is de apostel van Christus Jezus, de Verheerlijkte, niet van Jezus Christus, de verworpen Messias

De titel apostel wordt vaak in verband gebracht met “gezondene”. Maar het woord kent het gebruikelijk element dat op zenden wijst niet. Apostel is opgebouwd uit twee elementen, nl.: apo (= vanaf) en stellõ (= stellen). De letterlijke betekenis is dus “vanaf-gestelde”. Paulus’ functie is het best te vergelijken met een ambassadeur, een gevolmachtigd gezant. Een apostel kreeg volmacht om zaken uit te voeren. De twaalven kregen volmacht van de Heer, toen Hij nog bij hen was. Paulus kreeg die volmacht niet van hen of via hen, maar van de Heer Zelf. Dit verschil in volmacht met die van de twaalven is er al het bewijs van, dat Paulus onmogelijk tot de twaalf apostelen gerekend kan worden.

Zoals wij zagen, is de functie van apostel niet beperkt tot de twaalf apostelen. Voor Israël was twaalf altijd een vereiste, omdat de twaalf stammen twaalf leiders nodig hadden. Maar die voorwaarde gold niet voor de onbesnedenen, de heidenen. Paulus steekt met kop en schouders zelfs boven Petrus uit, de leider van de twaalf apostelen, want hij is de enige apostel die ons de hoogste geheimenissen onthuld heeft. Hoewel in de Brief aan de Colossenzen in de begroeting ook Timotheüs genoemd wordt, wordt hij daar niet voorgesteld als apostel. Hij is gewoon “Timotheüs, onze broeder”. En nu alle genoemde mannen overleden zijn en alleen Paulus zijn brieven heeft nagelaten, is hij voor ons, behorende tot de natiën, de enige apostel, de enige autoriteit met betrekking tot leer en praktijk.

Herhaaldelijk schrijft Paulus zijn apostelschap toe aan de wil van God (1Cor. 1:1; 2Cor.1:1; Col.1:1; 2Tim.1:1). Niemand van de twaalf apostelen heeft dat gedaan. Zij werden door Christus uitgekozen naar het geopenbaarde raadsbesluit van God. Hun opdracht, loopbaan en alles wat wij verder over hen weten, lag in de lijn van Jahweh’s beloften, neergelegd in de wet, de profeten en de psalmen. Hoewel bepaalde details en ontwikkelingen wellicht geheim geweest zijn, verliep alles toch volkomen volgens een van tevoren bepaald plan. Eén van de bijzonderheden bij de roeping van Paulus was, dat hij door God bestemd was Zijn wil te kennen (Hand.22:14). Dat kan onmogelijk slaan op kennis van de Hebreeuwse geschriften, maar op zaken die nog niet geopenbaard waren. Het was het speciale voorrecht van Paulus om inzicht te krijgen in zaken met betrekking tot Gods plan, die tot dan toe volstrekt onbekend en nog niet geopenbaard waren. Zijn benoeming tot apostel door de wil van God suggereert al, dat er sprake is van een nieuwe start in Gods heilshandelen. 

Het adres
Tot zover heeft de schrijver van de brief aan de Efeziërs zich aan ons voorgesteld. Vervolgens adresseert hij de envelop. Bij het noteren van de bestemming van zijn brief noemt hij de geadresseerden: “aan al de heiligen, die ook gelovigen zijn in Christus Jezus”. De kracht van het “zijn in Christus Jezus” blijkt bij gelovigen al heel vroeg in de geschiedenis verloren te zijn gegaan. Vaak wordt er aan de namen en titels van onze Here slechts weinig aandacht besteed. Het in veel evangelische kringen gebruikelijk noemen van de eigennaam “Jezus” doet ons vaak pijnlijk en oneerbiedig aan. Helaas, zijn er maar weinig mensen die het verschil kennen tussen “Christus Jezus” en “Jezus Christus”! Toch is dat nu juist in de adressering zo belangrijk.

Allen, die op God gericht zijn, zijn heiligen. Dat is de meest algemene benaming voor gelovigen. Van Adam en Abel af tot de laatste geroepene in de nog komende eonen, in ieder tijdvak en alle bedelingen, worden niet alleen mensen, maar ook boodschappers “heiligen” genoemd. Toen Paulus deze brief schreef, bestonden er twee groepen heiligen. De ene groep – behorend bij de twaalf apostelen, meestal afkomstig uit de Besnijdenis, inclusief proselieten – beleed Jezus Christus als de verworpen Messias. De andere groep – behorend bij Paulus, vooral afkomstig uit de onbesnedenen, de natiën – erkende Hem als de nu in de hemelen verheerlijkte Heer, als Christus Jezus. Aan hen werd deze brief geschreven.Wij doen er dus goed aan om eerst het adres te lezen van de brieven die ons in de Schrift zijn overgeleverd om te weten of de inhoud ons aangaat of niet. Daartoe dient het hierna gegeven overzicht van alle brieven.

de brieven van paulus

Rom. 1:1-7 Paulus, slaaf van Christus Jezus, geroepen apostel, afgezonderd tot Gods evangelie […] aan allen die in Rome zijn, geliefden van God, geroepen heiligen
1 Cor.1:1-2 Paulus, geroepen apostel van Christus Jezus door Gods wil, en Sosthenes, de broeder […] aan de uitgeroepen gemeente van God die in Corinthe is, geheiligden in Christus Jezus, geroepene heiligen 
2 Cor.1:1 Paulus, apostel van Christus Jezus door Gods wil, en Timotheüs, de broeder […] aan de uitgeroepen gemeente van God die in Corinthe is, samen met al de heiligen die in geheel Achaie zijn
Gal.1:1-2 Paulus, apostel niet vanwege mensen noch door een mens, maar door Jezus Christus en door God, de Vader […] aan de uitgeroepen gemeenten van Galatië
Ef.1:1 Paulus, apostel van Christus Jezus, door Gods wil, aan al de heiligen, die ook gelovigen zijn in Christus Jezus
Flp. 1:1 Paulus en Timotheüs, slaven van Christus Jezus, aan al de heiligen in Christus Jezus die in Filippi, samen met opzieners en dienaren
Col.1:1-2 Paulus, apostel van Christus Jezus door Gods wil, en Timotheüs, de broeder […] aan heilige en gelovige broeders in Christus in Kolosse
1Thes.1:1 Paulus en Silvanus en Timotheüs, aan de uitgeroepen gemeente van de Thessalonicenzen, in God, de Vader, en de Heer, Jezus Christus
2Thes.1:1 Paulus en Silvanus en Timotheüs, aan de uitgeroepen gemeente van de Thessalonicenzen, in God, onze Vader, en de Heer, Jezus Christus
1Tim.1:1-2 Paulus, apostel van Christus Jezus, in overeenstemming met de bepaling van God, onze Redder, en van de Heer Jezus Christus, onze Verwachting, aan Timoteüs, echt  kind
2Tim.1:1-2 Paulus, apostel van Christus Jezus door Gods wil  […] aan Timotheüs, geliefd kind
Tit.1:1-4 Paulus, slaaf van God, echter apostel van Jezus Christus […] aan Titus, echt kind in overeenstemming met gemeenschappelijk geloof
Tit.1:1-2 Paulus, gebondene van Christus Jezus, en Timotheüs, de broeder, aan Filemon, de geliefde, en onze medewerker, en aan Apfia, de zuster, en aan Archippus, onze .medesoldaat, en aan de uitgeroepen gemeente in jouw huis

DE BRIEVEN AAN DE BESNIJDENIS

Heb.1:1 God sprak tot de vaderen in de profeten
Jac.1:1 Jacobus, slaaf van God en van de Here Jezus Christus aan de twaalf stammen die in de diaspora zijn
1 Petr.1:1 Petrus, apostel van Jezus Christus, aan de uitverkoren emigranten van de diaspora, van Pontus, Galatië, Cappadocië, Asia en Bitynië
2 Petr.1:1 Simeon Petrus, slaaf en apostel van Jezus Christus, aan hen aan wie een even waardevol geloof als het onze ten deel viel, in de gerechtigheid van onze God en van de Redder, Jezus Christus:
1 Joh.1:1 wat wij gehoord, wat wij met onze ogen gezien hebben, aanschouwden en onze handen tastten aangaande het woord van het leven
2 Joh.1:1 De oudste aan de uitverkoren vrouw en haar kinderen, die ik in waarheid liefheb
3 Joh.1:1 De oudste aan de geliefde Gajus, die ik in waarheid liefheb.
Judas 1:1 Judas, slaaf van Jezus Christus, broeder echter van Jacobus, aan de geroepenen, in God, de Vader, geliefd en door Jezus Christus bewaard:
22. mrt, 2021

Het is mogelijk, ook al lijkt de Bijbel dik en ingewikkeld, om in korte tijd te begrijpen waar­over hij gaat. Dat geeft u weliswaar nog geen volledig inzicht, maar u krijgt ten min­ste door waar het in de Bijbel om draait.

Wat openbaart God aan ons?
De Bijbel bevat twee boodschappen: een voor Israël (de Joden) en een andere voor de Gemeente, het lichaam van Christus. Die boodschappen spreken elkaar niet tegen, maar zijn bestemd voor verschillende volken in verschillende tijden. Pogingen om deze twee boodschappen in één zogenaamd evangelie samen te persen, scheppen onvermijdelijk verwarring en nodeloze tegenstrijdigheden.

Aan wie is de Bijbel geadresseerd?
Alles in de Bijbel ligt wel voor ons open – ons ter lering – maar niet alles is aan ons gericht. Met uitzondering van de brieven van de apostel Paulus, is de gehele Bijbel geadresseerd aan één volk: de nazaten van Abraham, in de lijn van Isaak en Jakob. Dit volk kennen wij als de Joden en als Israël. In het grootste deel van de Bijbel spreekt God tot Israël.

Het resterende deel van de Bijbel, de brieven van de apostel Paulus, is als het ware tus­sen teksthaken geplaatst. Daarin staat dat God Zich tijdelijk van Zijn uitverkoren volk heeft af­gewend en Zijn Gemeente uitroept: een geestelijk lichaam van gelovigen die los van Israël staan. De Griekse grondtekst gebruikt daarvoor het woord ekklêsia, ‘uitgeroepene’ – een aan­duiding die strookt met het geestelijke karakter van de Gemeente.

Welke boodschap staat in de Bijbel centraal?
De complete Bijbel, in geheel zijn gevarieerde samenstelling, al zijn geschiedenissen, de boekrollen die geschreven zijn door de profeten en door Jezus’ discipelen, de brieven van de apostel Paulus – alles be­reidt de weg voor één boek. Dat Bijbelboek is de brief van Pau­lus aan de Efeziërs. Er is geen boek ooit verschenen, geen boodschap ooit verkondigd – hoe ma­jesteitelijk of zegenrijk zij ook mochten zijn – die ook maar even kunnen tippen aan de schitterende waarheden die Paulus in zijn brief aan de Efeziërs onder woorden heeft ge­bracht. Daarin lezen wij dat het Gods plan is om alles ‘onder één hoofd, dat is de Christus, samen te vatten’. Deze zegen strekt zich uit tot Gods gehele schepping en is ‘in overeen­stemming met het welbehagen’ dat Hij in Christus gepland heeft. God doet dit niet met te­genzin, want in liefde Hij had dit plan al op­gesteld nog voordat ook maar iets van de schepping gestalte had gekregen (Efe 1:3-14).

Wat zegt ons dit over God? Wie is de God die ons hier geopenbaard wordt? Sta daar eens een moment bij stil! Denk eens na over die twee uitspraken:

  • alles onder één hoofd, dat is de Christus, samen te vatten en
  • dit is in overeenstemming met het welbehagen dat Hij in Christus gepland heeft.

Lees de brief aan de Efeziërs eens alsof u in Paulus’ dagen een gelovige in Christus was, een lid van de Gemeente in een heidense stad. Dan had u nog niet zo lang geleden houten of stenen afgoden aanbeden en gevreesd, onder de dreiging van hun toorn geleefd en po­gingen gedaan om ze tot bedaren te brengen. U had een beter mens willen zijn, maar daartoe niet de kracht of de moed bezeten. Maar dan krijgt u deze brief van Gods apostel onder ogen met ‘Genade zij u en vrede!‘ U zou stomverbaasd zijn geweest!  Nooit was over de leven­loze lippen van een heidense godheid zó’n boodschap gekomen. Nooit had een priester zó’n bericht gebracht.

Het is de boodschap van een God Die waarachtig liefde is. Van die God komt het evangelie – het goede bericht – af dat Hij de mensheid als volkomen verzoend ziet, omdat tussen Hem en haar nu vrede bestaat door de dood van Zijn Zoon. Het is de moeite waard om de aan­gehaalde teksten uit de Efezebrief telkens opnieuw te lezen. De eerste keren lijken zij moeilijk te begrijpen, maar dan zult u er vertrouwd mee raken en zal vreugde uw hart ver­vul­len. Vergelijk wat zij te zeggen hebben eens met het nieuws op radio en televisie! Brengt de brief aan de Efeziërs niet het beste nieuws? Zou u iets beters kunnen bedenken? Be­staat er eigenlijk wel iets be­ters?

Uit verdere studie zal blijken dat God de gelovige gerechtvaardigd heeft. Daarop slaan de woorden ‘heilig en onberispelijk’ in Efeze 1:4. Het betekent dat Hij ons Zijn eigen gerech­tigheid geschonken heeft. Onze zonden stonden tussen God en ons in. Hij heeft ze wegge­daan, omdat wij daartoe niet in staat waren. Hij is het die ieder obstakel tussen ons en Hemzelf verwijderd heeft. Dit alles kwam door Zìjn toedoen tot stand. Er is niets dat wij aan onze in­spanningen zouden kunnen toeschrijven. God is op onze liefde uit. Hij zal niet tole­reren dat er ook maar iets tussen Hem en degenen die Hij liefheeft in komt staan. Dàt is wat Paulus in Efeze 1:4 uitdrukt in de woorden ‘opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor Zijn aangezicht’. U kunt die teksten niet vaak genoeg overlezen – tot ze een vast ele­ment van uw bewustzijn zijn geworden. Het zijn immers niet onze, maar Gods woorden. God komt boven alles lof toe. Zijn woorden zijn het die geestelijke vrede geven en vreugde in het geloven.

Waarover gaat de rest van de Bijbel?
Het is Gods einddoel om de gehele schepping wederzijds met Zichzelf te verzoenen, om Al­les in alles te zijn (1Corinthiers 15:28, Efeziers 1:10 en Colossenzen 1:20). De rest van de Bijbel laat ons zien hoe ijdel de inspanningen van de mens zijn, hoe hij niet bij machte is om op eigen kracht een rechtvaardig leven te leiden. Gods eerste, eenvoudige test wees al uit dat Adam de heerlijkheid Gods tekortkwam. Daarna brak een tijdperk aan waarin alles om het geweten draaide, maar dat alweer het falen van de mensheid aan het licht bracht. Toen gaf God de wet aan Israël. Zou die niet een volk van rechtvaardigen kunnen voortbrengen? Maar opnieuw toont de mensheid hoezeer zij tekortschiet. Wanneer perfecte omstan­dig­heden zouden leiden tot een harmonieuze verhouding met God, had Israëls wandel daar­aan beslist al moeten beantwoorden. Waarom schoten zij daarin echter tekort?

Het is Paulus die uitlegt waarmee God bezig is!
Van allen die de Bijbelboeken geschreven hebben, weet alleen Paulus wat God aan het doen is. Hij vertelt ons van Gods Plan. Geen andere schrijver kon dat, omdat het voor hem verborgen was gehouden. Paulus laat ons in Romeinen 11:32 zien dat God allen on­der on­gehoorzaamheid besloten heeft om Zich over hen allen te ontfermen. Als God de ge­hele mensheid de revue laat passeren, komt Hij tot de slotsom dat er niemand rechtvaardig is, ook niet één (Romeinen 3:10). Zelfs de wet kon dat niet corrigeren – ook al was zij heilig en het ge­bod heilig, rechtvaardig en goed – omdat zij zwak was door het vlees (Romeinen 8:3). De wet kon iemand wel de weg naar rechtvaardigheid wijzen, maar niet de kracht bezorgen om recht­vaardig te leven. Indien voor ons rechtvaardigheid zou zijn weggelegd, zou zij dus van buiten onszelf moeten komen. Zij moèst wel van God komen, omdat alleen Hij recht­vaar­dig is. Zo voorziet God in de nood van de mensheid en zo effent Hij voor Zichzelf de weg om Alles in alle mensen te zijn.

God staat bij de mensen bekend als de Voorzienigheid. Hij staat bij hen ook bekend als de Behouder. Slechts weinigen kennen Hem als de Verzoener! Wij weten precies wat wij da­gelijks nodig hebben: gezondheid en energie, voedsel en onderdak, welstand en vei­ligheid. Maar niet één van die dingen – hoe noodzakelijk zij ook voor ons welzijn mogen zijn – zal ons ertoe brengen om alles wat ons aangaat in God te vinden. Zodra wij van één van deze levensbehoeften beroofd worden, leidt dat tot een crisis en smeken wij God om her­stel. Maar als dat herstel er eenmaal is, hoe snel zijn wij de ellende weer vergeten en vervolgen wij onze weg zonder aan God te denken?

Waarom verzoening?
Uiteindelijk zal God allen met Zichzelf wederzijds en volkomen verzoenen. Pas wanneer dat gebeurt, zullen wij Zijn liefde, Zijn wijsheid en Zijn gerechtigheid ten volle gaan beseffen. Het patroon van ons leven, dat zowel in donkere als in lichte kleuren geweven is, zal laten zien dat iedere gebeurtenis, iedere ervaring – hoe akelig ook – diende ter voorbereiding van het moment waarop wij Gods liefde ons volkomen bewust zullen zijn. De religies die de mens­heid kent, slagen er niet in om ons voor Gods aanwezigheid geschikt te maken. Het lukt hen niet om het probleem van de zonde op te lossen, omdat zij geen rechtvaardiging kun­nen bieden. Maar dat kan Gods evangelie wel! Dit is het hart van het evangelie, waar­van Paulus verklaarde zich er niet voor te schamen. Dit evangelie voorziet immers in iedere behoefte die een vervreemd en zondig heelal maar kan hebben en voldoet aan iedere eis die Gods liefde, gerechtigheid en wijsheid maar kan stellen.

Alleen verzoening kan Gods hart tevreden stemmen. Zij is uitsluitend mogelijk als God ieder spoor van zonde heeft uitgewist. Verzoening kan niet bestaan zonder vrede en er kan geen vrede bestaan zonder gerechtigheid. God heeft in het evangelie ons Zijn eigen gerechtig­heid geschonken, want alleen Hij is rechtvaardig. En zij viel ons ten deel door de dood van Zijn Zoon, Die is overgeleverd om onze overtredingen en opgewekt om onze rechtvaardi­ging (Romeinen 4:25).

Hoe zit het dan met reiniging en vergeving?
Deze termen horen thuis in een ander tijdperk, het tijdperk waarin de wet regeert. Onder de wet werd van iemand die een van haar geboden overtreden had, berouw geëist. Voordat er ook maar sprake van vergeving kon zijn, moest iemand berouw tonen. Vergeving vereist nu eenmaal een juiste geestesgesteldheid, een houding die bevestigt dat de wet rechtvaardig is, maar de overtreder onrechtvaardig en dat hij onderworpen is aan de straffen die de wet stelt.

Het woord ‘vergeving‘ drukt maar een fractie uit van wat God voor de gelovige in Christus Jezus tot stand heeft gebracht. Misschien begrijpen wij dit beter aan de hand van een voor­beeld uit de rechtspraktijk. Iemand wordt verdacht van een wetsovertreding en wordt schul­dig bevonden. Men kan hem dan volgens de wet straf toemeten of men kan de zaak, indien daarvoor gronden bestaan, seponeren (terzijde leggen). Het komt echter ook voor dat de rechter een zaak beëindigt, omdat duidelijk is geworden dat de aanklacht tegen de ver­dachte geen hout snijdt – de zaak had nooit voor de rechter mogen komen! In dat geval is de verdachte gerechtvaardigd en gaat hij vrijuit zonder één smet op zijn blazoen! Geen ad­vocaat behoeft clementie te bepleiten voor een onschuldig man, omdat die nu eenmaal recht­vaardig is. Daarentegen is een zondaar aan wie vergeving is geschonken, nog geen recht­vaardige. Hij zal altijd iemand blijven die wel straf verdiende, maar aan wie genade is betoond.

Rechtvaardiging wil zeggen dat God ons voor Zijn tegenwoordigheid geschikt maakt door ons Zijn eigen rechtvaardigheid te schenken. Dat is een uitgemaakte, afgedane zaak, het resultaat van Zijn eigen handelen en niet van enig berouw of toedoen van onze kant. Ons leven is verborgen met Christus in God (Colossenzen 3:3). Hij ziet ons nu in Christus aan, in Wie wij ‘heilig en onbesmet en onberispelijk’ zullen worden voorgesteld (Colossenzen 1:22, Romeinen 8:29). Let vooral op de term ‘onberispelijk’; het betreffende Griekse woord betekent letterlijk ‘onbeschuldigbaar’. God heeft ons op een zó volkomen wijze gerecht­vaardigd dat onze zaak als het ware nimmer voor de rechter zal komen!

Tot slot
U weet nu dat letterlijk alles onder Gods plan valt. U weet ook dat God een evangelie heeft gegeven dat in alle behoeften van de gehele mensheid voorziet. Geen mens valt buiten het bereik van Gods evangelie. God heeft voorbereidingen getroffen om elk spoor van zonde uit het heelal te verwijderen – niet de zonde zelf, maar de gevolgen van zonde. Elk gebro­ken hart en gebroken leven, al de vervreemding en het wantrouwen – alle zijn zij het resul­taat van een tekort aan Gods heerlijkheid.

God is geen ongeïnteresseerde Toeschouwer. Het is evenmin waar dat Hij moest ingrijpen om een ramp te bezweren die zich buiten Zijn voorkennis en in weerwil van Zijn wijsheid vol­trokken heeft. Hij heeft Zich tot einddoel gesteld het gehele universum volkomen ver­zoend naar Hem terug te leiden, een universum dat Zijn liefde, wijsheid en rechtvaardigheid volle­dig kent, inziet en beseft.

Iets beters is ondenkbaar!

22. mrt, 2021
De Bijbel lijkt zichzelf soms tegen te spreken, bijvoorbeeld dat volgens Paulus iemand rechtvaardig wordt door geloof alleen, zonder werken (Rom 4:5), terwijl Jakobus expliciet zegt dat geloof zonder werken iemand niet kan redden (Jak 2:14). Maar, het blijkt dat Paulus en Jakobus helemaal niet aan dezelfde groep schreven, en er dus eigenlijk geen tegenspraak is. Het oude testament, Jezus, Jakobus en de apostelen richtten zich allemaal tot het volk Israël. Paulus is de enige in de Bijbel die de heidenen, de niet Joden, het evangelie brengt. Hij maakt dan ook met Petrus een werkafspraak. Zij gaan naar het volk, hij naar de heidenen. Als we ons dus zouden afvragen hoe iets is voor ons, dan zouden we eerst bij Paulus te raden moeten gaan.
22. mrt, 2021

Op het forum wordt door een aantal anti-goedbericht-zendelingen met groot fanatisme bestreden dat God de Schepper is van het kwaad. Dit ondanks de duidelijke uitspraken daarover in de Schrift. Een greep:

Als het gaat om de zonde van de mens wordt er gezegd: “van den beginne is het niet zo geweest” (Matteüs 19:8). In de bovenstaande tekst echter wordt van de duivel EXPLICIET gezegd dat hij wèl vanaf [den] beginne zondigt.

Iedere theologie die weigert te geloven, dat Gód de Schepper is van het kwaad, is gedwongen God tot de grootste ZONDAAR aller tijden te maken. Een MISSER die van te voren niet wist of niet incalculeerde dat het kwaad haar intrede zou doen in de wereld. Een God die het liet gebeuren dat Zijn plan verstoord werd. Een God ook die er uiteindelijk genoegen mee zal moeten nemen, dat velen van “de werken van Zijn handen” definitief van Hem vervreemd zullen zijn. En alsof dit alles nog niet erg genoeg is: als het in het verleden ooit zo vreselijk MIS kon gaan, wie geeft ons dan de garantie dat het in de toekomst niet opnieuw vreselijk MIS zal kunnen gaan???

De goedbericht-site stelt zich als eerste prioriteit “God als GOD te verheerlijken“. Als de GOD die alles beschikt en bij niets mis gaat. God wist wat Hij deed, toen Hij “de oude slang” schiep. Want juist door deze verderver te scheppen, creëerde God de noodzakelijke donkere achtergrond van zonde en dood, om het licht van zijn Liefde en Leven te laten schijnen!

Alleen wanneer God alles 100% onder controle heeft, kunnen we zeker zijn van het welslagen van Zijn ultieme voornemen, nl. om “alles in allen” te worden.

22. mrt, 2021
Er wordt de laatste tijd op dit forum heftig gediscussieerd over zware leerstellige kwesties. “Heeft de mens een vrije wil?”, “Heeft God alles voorbeschikt?”. Het gaat erom wat de juiste leer is hierin. Het vinden van de juiste leer is vergelijkbaar met het vinden van de juiste natuurwetenschappelijke theorie voor natuurkundige (biologische en scheikundige) verschijnselen. Het is ook vergelijkbaar met vinden van een sluitend bewijs voor de schuld van een bepaald persoon aan een bepaald misdrijf.
In al deze gevallen zijn er een beperkt aantal “aanwijzingen” (bijbelteksten, natuurkundige verschijnselen, forensische aanwijzingen, etc.), en is het vereist dat deze aanwijzingen op een creatieve manier met elkaar in verband gebracht worden, zodat een sluitende “leer”, dan wel “theorie”, dan wel “juridisch bewijs van schuld” ontstaat.

Alhoewel ik instem met wat Jan verder naar voren brengt, protesteer ik tegen de bovenstaande voorstelling van zaken. Bijbelse leer wordt niet verkregen door het trekken van juiste conclusies maar door het simpel geloven van wat “er staat geschreven”. “De gezonde leer” is niet een soort academische theorie die moeizaam verkregen wordt door ‘knappe koppen’. “Gezonde leer” is de leer die duidelijk en expliciet onderwezen wordt in de Schrift. Het enige wat daarvoor nodig is, is de Schrift zélf aan het woord te laten, waarbij ik er voor het gemak even van uitga dat het Bijbelwoord overeenkomt met de grondtekst en tevens dat het niet uit z’n verband is gerukt.

Om te achterhalen of een uitspraak “gezonde leer” is, hoef ik niet getraind te zijn in correct redeneren, maar uitsluitend de vraag te stellen: waar staat dat in de Schrift? Ik heb ontdekt dat dit mijn denkwerk aanzienlijk efficiënter maakt. Deze instelling maakt me ook allert op ongezonde terminologie. Ik streef naar frasen en termen die zoveel als maar mogelijk, gebaseerd zijn op de Bijbelse woordenschat.
Wanneer ik dit criterium hanteer, vallen heel veel theorieën reeds bij de eerste selectie door de mand. De Schrift spreekt niet van ‘drieëenheid’ (wel dat er “één God is, de Vader”). De Schrift spreekt niet van ‘de vrije wil’ (wel dat God “zowel het willen als het werken werkt”). De Schrift spreekt niet van “God de Zoon” (wel van “de Zoon van God”). De Schrift spreekt niet van een onsterfelijke ziel (wel van “de ziel die zondigt, die zal sterven”). De Schrift spreekt niet van satans zondeval (wel dat “de duivel zondigt van den beginne”). De Schrift spreekt niet van een eindeloze hellestraf (wel dat “de levende God een Redder is van alle mensen”).
Mogelijk dat niet iedereen gelukkig is met alle gegeven voorbeelden, maar bedenk dat het stuk voor stuk om vaststellingen gaat. Het gaat me nu ook niet om de inhoud van de gegeven voorbeelden, maar uitsluitend om te promoten dat we onze beweringen rechtstreeks zouden ontlenen aan wat “er staat geschreven”. Vermeldenswaard in dit verband is ook dat het woord voor ‘belijden’ in het Nieuwe Testament ‘omo logeo‘ is. Letterlijk betekent dit ‘hetzelfde zeggen’. Daarom is juist of correct belijden per definitie géén creatieve bezigheid, integendeel, het is (bij wijze van spreken) als een papegaai napraten.