22. mrt, 2021

Waar gaat het in de Bijbel om?

Het is mogelijk, ook al lijkt de Bijbel dik en ingewikkeld, om in korte tijd te begrijpen waar­over hij gaat. Dat geeft u weliswaar nog geen volledig inzicht, maar u krijgt ten min­ste door waar het in de Bijbel om draait.

Wat openbaart God aan ons?
De Bijbel bevat twee boodschappen: een voor Israël (de Joden) en een andere voor de Gemeente, het lichaam van Christus. Die boodschappen spreken elkaar niet tegen, maar zijn bestemd voor verschillende volken in verschillende tijden. Pogingen om deze twee boodschappen in één zogenaamd evangelie samen te persen, scheppen onvermijdelijk verwarring en nodeloze tegenstrijdigheden.

Aan wie is de Bijbel geadresseerd?
Alles in de Bijbel ligt wel voor ons open – ons ter lering – maar niet alles is aan ons gericht. Met uitzondering van de brieven van de apostel Paulus, is de gehele Bijbel geadresseerd aan één volk: de nazaten van Abraham, in de lijn van Isaak en Jakob. Dit volk kennen wij als de Joden en als Israël. In het grootste deel van de Bijbel spreekt God tot Israël.

Het resterende deel van de Bijbel, de brieven van de apostel Paulus, is als het ware tus­sen teksthaken geplaatst. Daarin staat dat God Zich tijdelijk van Zijn uitverkoren volk heeft af­gewend en Zijn Gemeente uitroept: een geestelijk lichaam van gelovigen die los van Israël staan. De Griekse grondtekst gebruikt daarvoor het woord ekklêsia, ‘uitgeroepene’ – een aan­duiding die strookt met het geestelijke karakter van de Gemeente.

Welke boodschap staat in de Bijbel centraal?
De complete Bijbel, in geheel zijn gevarieerde samenstelling, al zijn geschiedenissen, de boekrollen die geschreven zijn door de profeten en door Jezus’ discipelen, de brieven van de apostel Paulus – alles be­reidt de weg voor één boek. Dat Bijbelboek is de brief van Pau­lus aan de Efeziërs. Er is geen boek ooit verschenen, geen boodschap ooit verkondigd – hoe ma­jesteitelijk of zegenrijk zij ook mochten zijn – die ook maar even kunnen tippen aan de schitterende waarheden die Paulus in zijn brief aan de Efeziërs onder woorden heeft ge­bracht. Daarin lezen wij dat het Gods plan is om alles ‘onder één hoofd, dat is de Christus, samen te vatten’. Deze zegen strekt zich uit tot Gods gehele schepping en is ‘in overeen­stemming met het welbehagen’ dat Hij in Christus gepland heeft. God doet dit niet met te­genzin, want in liefde Hij had dit plan al op­gesteld nog voordat ook maar iets van de schepping gestalte had gekregen (Efe 1:3-14).

Wat zegt ons dit over God? Wie is de God die ons hier geopenbaard wordt? Sta daar eens een moment bij stil! Denk eens na over die twee uitspraken:

  • alles onder één hoofd, dat is de Christus, samen te vatten en
  • dit is in overeenstemming met het welbehagen dat Hij in Christus gepland heeft.

Lees de brief aan de Efeziërs eens alsof u in Paulus’ dagen een gelovige in Christus was, een lid van de Gemeente in een heidense stad. Dan had u nog niet zo lang geleden houten of stenen afgoden aanbeden en gevreesd, onder de dreiging van hun toorn geleefd en po­gingen gedaan om ze tot bedaren te brengen. U had een beter mens willen zijn, maar daartoe niet de kracht of de moed bezeten. Maar dan krijgt u deze brief van Gods apostel onder ogen met ‘Genade zij u en vrede!‘ U zou stomverbaasd zijn geweest!  Nooit was over de leven­loze lippen van een heidense godheid zó’n boodschap gekomen. Nooit had een priester zó’n bericht gebracht.

Het is de boodschap van een God Die waarachtig liefde is. Van die God komt het evangelie – het goede bericht – af dat Hij de mensheid als volkomen verzoend ziet, omdat tussen Hem en haar nu vrede bestaat door de dood van Zijn Zoon. Het is de moeite waard om de aan­gehaalde teksten uit de Efezebrief telkens opnieuw te lezen. De eerste keren lijken zij moeilijk te begrijpen, maar dan zult u er vertrouwd mee raken en zal vreugde uw hart ver­vul­len. Vergelijk wat zij te zeggen hebben eens met het nieuws op radio en televisie! Brengt de brief aan de Efeziërs niet het beste nieuws? Zou u iets beters kunnen bedenken? Be­staat er eigenlijk wel iets be­ters?

Uit verdere studie zal blijken dat God de gelovige gerechtvaardigd heeft. Daarop slaan de woorden ‘heilig en onberispelijk’ in Efeze 1:4. Het betekent dat Hij ons Zijn eigen gerech­tigheid geschonken heeft. Onze zonden stonden tussen God en ons in. Hij heeft ze wegge­daan, omdat wij daartoe niet in staat waren. Hij is het die ieder obstakel tussen ons en Hemzelf verwijderd heeft. Dit alles kwam door Zìjn toedoen tot stand. Er is niets dat wij aan onze in­spanningen zouden kunnen toeschrijven. God is op onze liefde uit. Hij zal niet tole­reren dat er ook maar iets tussen Hem en degenen die Hij liefheeft in komt staan. Dàt is wat Paulus in Efeze 1:4 uitdrukt in de woorden ‘opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor Zijn aangezicht’. U kunt die teksten niet vaak genoeg overlezen – tot ze een vast ele­ment van uw bewustzijn zijn geworden. Het zijn immers niet onze, maar Gods woorden. God komt boven alles lof toe. Zijn woorden zijn het die geestelijke vrede geven en vreugde in het geloven.

Waarover gaat de rest van de Bijbel?
Het is Gods einddoel om de gehele schepping wederzijds met Zichzelf te verzoenen, om Al­les in alles te zijn (1Corinthiers 15:28, Efeziers 1:10 en Colossenzen 1:20). De rest van de Bijbel laat ons zien hoe ijdel de inspanningen van de mens zijn, hoe hij niet bij machte is om op eigen kracht een rechtvaardig leven te leiden. Gods eerste, eenvoudige test wees al uit dat Adam de heerlijkheid Gods tekortkwam. Daarna brak een tijdperk aan waarin alles om het geweten draaide, maar dat alweer het falen van de mensheid aan het licht bracht. Toen gaf God de wet aan Israël. Zou die niet een volk van rechtvaardigen kunnen voortbrengen? Maar opnieuw toont de mensheid hoezeer zij tekortschiet. Wanneer perfecte omstan­dig­heden zouden leiden tot een harmonieuze verhouding met God, had Israëls wandel daar­aan beslist al moeten beantwoorden. Waarom schoten zij daarin echter tekort?

Het is Paulus die uitlegt waarmee God bezig is!
Van allen die de Bijbelboeken geschreven hebben, weet alleen Paulus wat God aan het doen is. Hij vertelt ons van Gods Plan. Geen andere schrijver kon dat, omdat het voor hem verborgen was gehouden. Paulus laat ons in Romeinen 11:32 zien dat God allen on­der on­gehoorzaamheid besloten heeft om Zich over hen allen te ontfermen. Als God de ge­hele mensheid de revue laat passeren, komt Hij tot de slotsom dat er niemand rechtvaardig is, ook niet één (Romeinen 3:10). Zelfs de wet kon dat niet corrigeren – ook al was zij heilig en het ge­bod heilig, rechtvaardig en goed – omdat zij zwak was door het vlees (Romeinen 8:3). De wet kon iemand wel de weg naar rechtvaardigheid wijzen, maar niet de kracht bezorgen om recht­vaardig te leven. Indien voor ons rechtvaardigheid zou zijn weggelegd, zou zij dus van buiten onszelf moeten komen. Zij moèst wel van God komen, omdat alleen Hij recht­vaar­dig is. Zo voorziet God in de nood van de mensheid en zo effent Hij voor Zichzelf de weg om Alles in alle mensen te zijn.

God staat bij de mensen bekend als de Voorzienigheid. Hij staat bij hen ook bekend als de Behouder. Slechts weinigen kennen Hem als de Verzoener! Wij weten precies wat wij da­gelijks nodig hebben: gezondheid en energie, voedsel en onderdak, welstand en vei­ligheid. Maar niet één van die dingen – hoe noodzakelijk zij ook voor ons welzijn mogen zijn – zal ons ertoe brengen om alles wat ons aangaat in God te vinden. Zodra wij van één van deze levensbehoeften beroofd worden, leidt dat tot een crisis en smeken wij God om her­stel. Maar als dat herstel er eenmaal is, hoe snel zijn wij de ellende weer vergeten en vervolgen wij onze weg zonder aan God te denken?

Waarom verzoening?
Uiteindelijk zal God allen met Zichzelf wederzijds en volkomen verzoenen. Pas wanneer dat gebeurt, zullen wij Zijn liefde, Zijn wijsheid en Zijn gerechtigheid ten volle gaan beseffen. Het patroon van ons leven, dat zowel in donkere als in lichte kleuren geweven is, zal laten zien dat iedere gebeurtenis, iedere ervaring – hoe akelig ook – diende ter voorbereiding van het moment waarop wij Gods liefde ons volkomen bewust zullen zijn. De religies die de mens­heid kent, slagen er niet in om ons voor Gods aanwezigheid geschikt te maken. Het lukt hen niet om het probleem van de zonde op te lossen, omdat zij geen rechtvaardiging kun­nen bieden. Maar dat kan Gods evangelie wel! Dit is het hart van het evangelie, waar­van Paulus verklaarde zich er niet voor te schamen. Dit evangelie voorziet immers in iedere behoefte die een vervreemd en zondig heelal maar kan hebben en voldoet aan iedere eis die Gods liefde, gerechtigheid en wijsheid maar kan stellen.

Alleen verzoening kan Gods hart tevreden stemmen. Zij is uitsluitend mogelijk als God ieder spoor van zonde heeft uitgewist. Verzoening kan niet bestaan zonder vrede en er kan geen vrede bestaan zonder gerechtigheid. God heeft in het evangelie ons Zijn eigen gerechtig­heid geschonken, want alleen Hij is rechtvaardig. En zij viel ons ten deel door de dood van Zijn Zoon, Die is overgeleverd om onze overtredingen en opgewekt om onze rechtvaardi­ging (Romeinen 4:25).

Hoe zit het dan met reiniging en vergeving?
Deze termen horen thuis in een ander tijdperk, het tijdperk waarin de wet regeert. Onder de wet werd van iemand die een van haar geboden overtreden had, berouw geëist. Voordat er ook maar sprake van vergeving kon zijn, moest iemand berouw tonen. Vergeving vereist nu eenmaal een juiste geestesgesteldheid, een houding die bevestigt dat de wet rechtvaardig is, maar de overtreder onrechtvaardig en dat hij onderworpen is aan de straffen die de wet stelt.

Het woord ‘vergeving‘ drukt maar een fractie uit van wat God voor de gelovige in Christus Jezus tot stand heeft gebracht. Misschien begrijpen wij dit beter aan de hand van een voor­beeld uit de rechtspraktijk. Iemand wordt verdacht van een wetsovertreding en wordt schul­dig bevonden. Men kan hem dan volgens de wet straf toemeten of men kan de zaak, indien daarvoor gronden bestaan, seponeren (terzijde leggen). Het komt echter ook voor dat de rechter een zaak beëindigt, omdat duidelijk is geworden dat de aanklacht tegen de ver­dachte geen hout snijdt – de zaak had nooit voor de rechter mogen komen! In dat geval is de verdachte gerechtvaardigd en gaat hij vrijuit zonder één smet op zijn blazoen! Geen ad­vocaat behoeft clementie te bepleiten voor een onschuldig man, omdat die nu eenmaal recht­vaardig is. Daarentegen is een zondaar aan wie vergeving is geschonken, nog geen recht­vaardige. Hij zal altijd iemand blijven die wel straf verdiende, maar aan wie genade is betoond.

Rechtvaardiging wil zeggen dat God ons voor Zijn tegenwoordigheid geschikt maakt door ons Zijn eigen rechtvaardigheid te schenken. Dat is een uitgemaakte, afgedane zaak, het resultaat van Zijn eigen handelen en niet van enig berouw of toedoen van onze kant. Ons leven is verborgen met Christus in God (Colossenzen 3:3). Hij ziet ons nu in Christus aan, in Wie wij ‘heilig en onbesmet en onberispelijk’ zullen worden voorgesteld (Colossenzen 1:22, Romeinen 8:29). Let vooral op de term ‘onberispelijk’; het betreffende Griekse woord betekent letterlijk ‘onbeschuldigbaar’. God heeft ons op een zó volkomen wijze gerecht­vaardigd dat onze zaak als het ware nimmer voor de rechter zal komen!

Tot slot
U weet nu dat letterlijk alles onder Gods plan valt. U weet ook dat God een evangelie heeft gegeven dat in alle behoeften van de gehele mensheid voorziet. Geen mens valt buiten het bereik van Gods evangelie. God heeft voorbereidingen getroffen om elk spoor van zonde uit het heelal te verwijderen – niet de zonde zelf, maar de gevolgen van zonde. Elk gebro­ken hart en gebroken leven, al de vervreemding en het wantrouwen – alle zijn zij het resul­taat van een tekort aan Gods heerlijkheid.

God is geen ongeïnteresseerde Toeschouwer. Het is evenmin waar dat Hij moest ingrijpen om een ramp te bezweren die zich buiten Zijn voorkennis en in weerwil van Zijn wijsheid vol­trokken heeft. Hij heeft Zich tot einddoel gesteld het gehele universum volkomen ver­zoend naar Hem terug te leiden, een universum dat Zijn liefde, wijsheid en rechtvaardigheid volle­dig kent, inziet en beseft.

Iets beters is ondenkbaar!